Peter Endendijk

Toen ik 21 was werkte ik in Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Ik ben in juni 1943 opgeroepen. In Nederland was ik elektricien en ik moest in Duitsland het zelfde werk verrichten. Eerst zat ik in Berlijn, waar we regelmatig met bombardementen te maken hadden. Toen het te gevaarlijk werd ben ik gevlucht naar Saalfeld, in Thüringen. In Saalfeld heb ik mijn vrouw leren kennen.

Verlovingsfoto  Meneer en Mevrouw Endendijk, 1944.

Ik werd aan het eind van de oorlog 21. Toen zat ik in Duitsland om te werken. Voor de oorlog werkte ik bij Werkspoor, een machinefabriek. Ik was pas net begonnen, op mijn zestiende, toen de oorlog begon. Mijn vader was timmerman, maar hij raadde me dat werk af: ‘Jongen, dat is niets. Dat wordt allemaal beton. Er wordt geen hout meer gebruikt’. Ik wilde eigenlijk elektricien worden, dus dat ben ik geworden en de rest van mijn leven gebleven.


Ik had een broer en twee zussen. We schelen erg veel, want ik ben uit een tweede huwelijk. Mijn vader was getrouwd, had drie kinderen en toen overleed zijn vrouw. Later is hij mijn moeder tegengekomen en daar ben ik uit voortgekomen. Gevolg was wel dat ik met mijn broer 21 jaar scheelde en met mijn zusters 17 en 18 jaar. Mijn vader noemde me altijd snotneussie als ik ook eens wat zei. We woonden vlakbij de Douwe Egbertsfabriek en we hadden altijd koffielucht. Vond ik niet heel erg, dat is geen vieze lucht. Maar wat waren dat slechte huizen. We hadden een kelder, daar moest je je fiets inzetten, maar soms stond die vol met water!

Vooroorlogse jaren


Er was heel weinig geld toen ik opgroeide, het waren de crisisjaren. Mijn vader is ook jaren werkloos geweest. Hij zat bij de vakbeweging en moest stempelen. Hij moest voor tienen een lijst tekenen en die moest hij afleveren bij het arbeidsbureau. Een keer vergat hij zijn handtekening erop te zetten en toen werd hij een dag gekort op zijn uitkering. Ik ben altijd een gekke lezer geweest. Het lidmaatschap van de leeszaal dat kostte een kwartje per jaar. Ik heb de blaren op mijn tong staan te praten eer ik een kwartje los kreeg! Dat kon er nauwelijks vanaf.


Mijn vader was sociaaldemocraat, hij was ook lid van de partij. Thuis hadden we het portret van Troelstra hangen. Mijn zuster en mijn moeder hadden het eens opgeborgen, maar toen mijn vader thuiskwam werd die daar kwaad! Ik stemde vroeger ook rood, maar de laatste jaren niet meer. Ik zat als kind bij de gymnastiekclub Kracht en Vlugheid. Die was niet officieel rood, maar hij hing wel die kant uit. Die is in de oorlog in de vernieling gegaan, omdat de zalen in waren beslag genomen. 

Je had hier in Utrecht genoeg van die idiote NSB’ers. De hoofdzetel van de NSB zat hier en Mussert woonde hier. Daar kon je niet omheen. Je had meer van die nationaalsocialistische partijen, en die vraten elkaar op. Ik was een keer op mijn fietsje onderweg en toen ontstond er een lieve knokpartij tussen twee fascistische partijen. Ik moest goed uitkijken dat ik er niet tussen kwam. En bij lunchroom Rutecks was ook een keer een opstootje toen de NSB’ers aan het collecteren waren voor de Winterhulp. Toen heb ik nog een klap met een gummiknuppel gehad.


In 1936 bestond de universiteit zoveel jaar, en daar waren allerlei festiviteiten, waaronder een wandelmars. Nou, ik was een jaar of 14, en maakte die wandelmars ook mee. En wij komen terug en de praeses van de studentenvereniging stond daar en die gaf degene die het mooist gemarcheerd hadden een onderscheiding. Maar toen kwam er een NSB’er. Je had de gezichten van die lui van de studentenvereniging moeten zien. Haha, dat was een kwartje waard .

"We zeiden altijd: onze verzorging was ‘tussen beroerd en belabberd’."

Arbeitseinsatz


Ik ben in juni 1943 opgeroepen voor de Arbeidsdienst. Ze riepen toen de lichtingen 1922, 23 en 24 op. En ik was 1924. Ik heb me maar gemeld, wat moest ik anders. Als je bij onze voordeur kwam zag je meteen de trap naar boven. Je kon dus niet zeggen: hee, de bel gaat, ik ga gauw naar boven. In augustus ben ik naar Duitsland vertrokken. Ik moest naar Berlijn toe want Werkspoor, het bedrijf waar ik in Utrecht werkte, had nauwe relaties met een Duits bedrijf dat daar zat. Ik deed daar hetzelfde werk als hier: elektricien. Ik heb toen ongeveer een half jaar in Berlijn gezeten en dat was niet direct prettig! In het begin ging het wel, totdat de Amerikanen erbij kwamen, die hadden beter bombardeermateriaal dan de Engelsen. De Engelsen kwamen ‘s avonds wel eens overvliegen, maar er gebeurde eigenlijk niks. Ik heb altijd gezegd, die Amerikanen hebben met kwadraten gewerkt. Eerst gooien we alle bommen in dat kwadraat , dan nemen we het volgende kwadraat, gooien we daar alle bommen in. Op de radio zeiden ze altijd uit welke richting de vliegtuigen kwamen. Nou, dan wist ik dat ik moest schuilen.


We zeiden altijd: onze verzorging was ‘tussen beroerd en belabberd’. In de eerste plaats was het eten matig en veel te weinig. Dan hadden we slaapzaaltjes waar we met 24 man sliepen in een houten barak. En als je ‘s nachts naar de wc moest, dan moest je een klein kwartiertje lopen. Bovendien waren die wc’s ontaard smerig. Het waren gewoon ronde dingen waar je op kon gaan zitten. En dan viel het allemaal naar beneden in een grote container. Nou, dat is vragen om moeilijkheden. En die begonnen ook prompt. Ik heb er een hele goede vriend aan verloren, die was ziek geworden. In drie dagen tijd was het gebeurd met hem. Toen ik na de oorlog nog een keer in Berlijn was en naar zijn graf wilde gaan kijken kon ik er niet meer komen. Het zat aan de verkeerde kant van de muur.

"Ik besloot te vluchten, maar ze moesten je niet grijpen, dan ging je prompt een concentratiekamp in."

Ik was dus in Berlijn en met die bommen werd het hoe langer hoe erger. Ik zat toen inmiddels in een kamp met buitenlandse studenten. Studenten moesten tekenen om te bewijzen dat ze loyaal waren tegenover de bezettende macht. Degenen die het niet deden: fuut, naar Duitsland. Ik was door de bombardementen in zo’n kamp terechtgekomen. Zo van ‘schuif maar op’. Daar heb ik de rest van die tijd doorgebracht, tot dat die ook eraan ging. Want die barak was werkelijk klaar voor brandhout. Het was een houten barak en er was een bom bovenop gevallen. Er was niets meer van over. Ik denk, nu is het twee keer mooi geweest, de derde keer ben ik zelf aan de beurt. Dus toen ben ik weggegaan. Ik had een brief gehad, waarin stond dat een broer van mijn schoonzuster in Thüringen zat, en daar was het rustig. Haar andere broer zat in het Ruhrgebied, maar daar waren wel bombardementen. Dus die man uit het Ruhrgebied had de benen genomen naar zijn broer. Dat mocht niet, maar hij heeft het toch gedaan. En toen dacht ik: wat de een kan, kan de ander ook. Maar ze moesten je niet grijpen, want dan ging je prompt een concentratiekamp in.


Maar ja, hoe pak je dat aan? Ik had een hele grote koffer. Ik denk, die moet ik niet meenemen, want dat loopt grandioos in de gaten. Ik heb dus alles in een kartonnen doos gedaan, kleren stijf opgerold zodat het zo min mogelijk ruimte innam. Het was toch winter dus ik had dubbel ondergoed aangetrokken. Ik trok een trui aan en nog een werkjasje er overheen en daarover mijn winterjas. Ik zag er wel lekker solide uit hoor! Dat had je in de zomer niet moeten doen. Toen ben ik naar het station gegaan. En ik kwam daar: ja, grote puinhoop. Alle stations lagen in elkaar. Ben ik gaan rondkijken en op een gegeven moment zag ik dat er een trein vertrok naar Elsterwerda. Nou, had ik van mijn leven nog niet van Elsterwerda gehoord, maar er hing een spoorkaart waarop ik zag dat die trein naar het zuiden ging. En ik zag ook dat die trein op een gegeven moment een andere trein kruiste die naar Leipzig ging. Ik dacht, dat is de goede kant op. Daar moet ik heen.


Dus heb glashard een kaart naar Doberlug-Kirchhain genomen, waar ik op de trein naar Leipzig kon overstappen. De politie stond te controleren, maar daar ben ik fluitend, met mijn koffertje een beetje zwaaiend, langsgelopen. En ze keken niet. De trein zou vertrekken, maar die bleef anderhalf uur staan. Ze hadden geen locomotieven, want alles was kapot. Eindelijk gingen we dan weg. Uiteindelijk kwam ik dan in dat Doberlug-Kirchhain terecht. In Leipzig en ben ik op zoek gegaan naar de trein naar Saalfeld, mijn eindbestemming. Maar het was een uur of zeven ‘s avonds toen ik aankwam, en de volgende trein ging pas s’ nachts. Ja, wat moest ik toen? In de wachtkamer zitten dorst je niet. Dan liep je veel te veel in de gaten. Dus ik heb maar steeds heen en weer gewandeld over dat perron. Uiteindelijk ontdekte ik om een uur of vier dat ze met de rangeerlocomotief de trein klaarzetten. Toen ben ik er in gaan liggen en heb ik een tukkie gedaan.


Eenmaal in Saalfeld aangekomen moest ik gaan zoeken waar die broers van mijn schoonzus zaten. Toen hoorde ik dat die broers aan het werk waren. En ik was er s’ morgens om negen uur. Dus ik heb de hele dag rondgewandeld, want het was februari, dan ga je ook niet buiten zitten. En ook niet ergens in een café, want als je de hele dag in een café zit, gaan ze al gauw zeggen, hee, wat is er met die vent. ’s Avonds ben ik bij de fabriek gaan wachten tot ze eruit kwamen. Die wisten niet wat ze zagen natuurlijk! Ik kon in hun huis blijven en zij gingen rondvertellen bij de fabriek dat ik net uit Nederland was gekomen om mee te helpen aan de eindoverwinning. Zo werd mijn plotselinge komst verklaard.

"Tot mijn verbazing ontdekte ik dat ik de kamer deelde met een politieambtenaar. Terwijl ik gezocht werd!  "

We gingen uiteindelijk naar Erfurt en daar werden we ingedeeld naar het land waar je vandaan kwam: Hollanders bij Hollanders, Belgen bij Belgen. Een enkeling waar ze niet direct raad mee wisten, die werd maar gedouwd waar ze het dichtstbij kwamen. Bij ons in de groep hadden we bijvoorbeeld een Noor: geen Nederlander maar het gaat wel die kant op. We werden ondergebracht in een kazerne. Dat was niet zo’n succes, maar ja, er was niets. Toen hebben we daar een kleine week gezeten. Je zat je eigenlijk stom te vervelen, maar we hadden voortreffelijk eten. Dat deden die Amerikaanse legerkoks, die gingen naar de boeren en namen de varkens in beslag, slachtten dat varken en kookten van dat varken soep. Je zat met je lepel tussen dat vlees door te wroeten, eerlijk!


Via Aken gingen we uiteindelijk naar Nederland toe. En die lui allemaal juichen ‘we zijn weer terug in Nederland’. Maar dat beviel ze heel slecht, want de verzorging die zo prima was van de Amerikanen, die was verdwenen. Weet je wat we kregen toen we binnen kwamen? Een plakkie zoete koek en een kopje instant soep. Toen hadden ze het zo geregeld dat we naar de Philipsfabrieken gingen. Daar hadden ze een hele grote hal en daar lagen allemaal matrassen. Dus daar werden we ondergebracht. Dan moesten we wachten tot we aan de beurt waren. Ze hadden onze papieren weer ingenomen. Na drie dagen waren wij aan de beurt. We werden met een vrachtwagen naar een school gebracht en daar werden we gekeurd. Daar werd er met de pet naar gegooid. Het interesseerde ze het meeste wat je onder je armen had. De SS die had daar het bloedgroepteken getatoeëerd, dus als je bij de SS was geweest konden ze dat zo zien. En bij de vrouwen ging het meestal om geslachtsziektes, en dat ging ook niet zo zachtzinnig. ‘Je wou toch zo graag, dan moet je ook maar voelen’. Mijn vrouw was toen al ettelijke maanden zwanger.

"Het was in Nederland een ontaarde puinhoop."

Werken in Nazi-Duitsland


Bij de personeelsdienst van de fabriek zeiden ze dat ik naar de arbeidsbeurs moest. Daar zeiden ze ’Vaklui gaan niet in een fabriek. Je kunt terecht bij een elektriciteitsfirma, de Firma Klein.’ De volgende dag kreeg ik meteen een karweitje te doen in een tehuis voor zwangere vrouwen. Nou, ik ging aan het prutsen daar. Dat was niet vreemd voor me, ik kon dat werk wel. Ik kon daar ook eten en moest in een cafeetje daar vlakbij gaan slapen. Tot mijn verbazing ontdekte ik dat ik de kamer deelde met een politieambtenaar. Terwijl ik gezocht werd! 


Bij de Firma Klein ben ik blijven werken, dat ging best. Ik kon het met de baas goed vinden. Hij kwam uit Aken en hij vond alle Hollanders moordlui. Wij dachten al dat het niet lang meer goed zou gaan met het werken daar. En inderdaad, op een gegeven moment stond Goebbels te brullen ‘Arbeiten voor de Sieg’. Dus dat gewone burgerwerk mochten we niet meer doen. We moesten een fabriek gaan inrichten in Arnstadt. Daar werden we in een restaurant ondergebracht. Dat ging eigenlijk best. In het weekend ging ik terug naar Saalfeld, want daar kende ik een aantal mensen, kennissen, collega’s. Dat heen en weer rijden naar Arnstadt was een sof, want de trein was als een gevuld sardineblikje. Ik heb een keer een heel stuk gereisd met mijn koffer buiten het raam. Die kon ik er niet in krijgen.


"Had je ook maar niet om moeten kijken"


Ik heb erg veel geluk gehad, ik moest een karweitje doen bij de nieuwe directeur van het arbeidsbureau en heb daarna nog een hele tijd met hem gepraat. En toen zei ik dat ik wel een keer naar huis zou willen Ik kreeg een papier mee, daarmee ging ik naar mijn baas toe en die vulde het in: twaalf dagen verlof en twee dagen om te reizen. Ik heb mijn spulletjes bij elkaar gepakt en ben met de trein naar huis gegaan. Dat ging zonder problemen, want ik had geldige papieren. Thuis zeiden dat ik maar niet meer terug moest gaan. Ik dacht jullie kletsen wel lekker, maar moet ik dan hier blijven? Thuis moest ik onderduiken. En bovendien had ik in Duitsland een meisje leren kennen. Dus ik ben wel teruggegaan.


Ik had haar leren kennen in de rij voor de kaartjes bij de bioscoop, ze stond achter me. En ik weet niet wat het was, maar ze lag me. Ik ben uit de rij gegaan en achter haar gaan staan. Toen ik zag wat voor kaartje ze kocht, kocht ik hetzelfde. Ik heb in de bioscoop niet veel durven zeggen, zo brutaal was ik ook weer niet. Na de film ben ik achter haar aangelopen, en ik dacht eigenlijk ‘Ik geef maar op’ en toen keek ze om. We hebben verkering gehad en een half jaar later hebben we ons verloofd.  Toen we veertig jaar getrouwd waren heb ik een grote kaart gestuurd met de tekst ‘Had je ook maar niet om moeten kijken’.


Maar een Duitse vrouw mocht van de nazi’s niet met een buitenlandse man trouwen. We hebben geluk gehad, want toen de Amerikanen aan het eind van de oorlog bij ons waren kon het uiteindelijk wel.  We kwamen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het was een oude vent. Hij las de Duitse trouwformules voor. Onder andere: degene die met een niet-Duitser trouwt, verliest de Duitse nationaliteit. Toen zei hij er achteraan: ‘Daar zul je ook geen spijt van hebben’.




Terug naar Nederland


Toen hebben we de boel op een handkar gepakten zijn we de volgende morgen naar Nederland vertrokken. We zijn een dag eerder getrouwd dan dat we van plan waren, zodat we met het laatste transport Amerikaanse vrachtwagens mee konden. We zijn erop geklommen en daar gingen we. Met een totaal onbekende bestemming.

We mochten nog niet doorreizen, want het westen van Nederland was nog niet vrijgegeven. 

We gingen uiteindelijk met de trein eerst naar Den Bosch en van Den Bosch naar Nijmegen. Daar stapten we in vrachtwagens van het Nederlandse leger, of in ieder geval het begin wat daarvan opgericht was. We kwamen in de Betuwe: een puinhoop, alles in elkaar geschoten. In Arnhem was de puinhoop zo mogelijk nog groter. Daar hadden ze drie wegen, een naar Velp, een naar Apeldoorn en een naar het westen dus. Meer had je niet, het was een ontaarde puinhoop, het zag er vreselijk uit.


Wij rijden door en op een gegeven moment hadden we even pauze. Ineens hoor ik mijn naam roepen, ik keer me om. Waren het die broers, die me in Duitsland geholpen hadden. Ik liep naar ze toe en stap prompt in een schuttersputje. Ze vertelden me dat Utrecht niet beschadigd was. Dat wisten we helemaal niet. Na alles wat wij onderweg gezien hadden, konden we ons dat niet voorstellen.


We stapten weer in en reden verder, en toen brachten ze ons naar concentratiekamp Amersfoort. Dat was net leeg gemaakt, al die lui waren er uitgejaagd. Het was zogenaamd ‘schoongemaakt’, maar het was er smerig. Ik zeg tegen mijn vrouw: hier blijf ik niet. Toen zijn we gaan liften. We hadden vrij gauw een vrachtwagen en die nam ons mee naar Utrecht.

Thuis in Utrecht


Toen kwamen we bij O.Z.E.B.I., dat was het overdekte zwembad in de Biltstraat. Daar werden we er uitgezet, verder moesten we maar zien. Dus toen was het lopen. Het was nog wel een flink stuk van het begin van de Biltstraat naar de Rivierenwijk, waar mijn familie woonde. Het was vrij stil langs de straten. Wij vielen nogal op. We hadden ook een rood wit blauwe vlag op onze kleding, die hadden we op advies van de Amerikanen al in Duitsland op onze kleding genaaid, zo waren we te onderscheden tussen alle andere buitenlanders.


Toen kwamen we bij het huis waar mijn broer woonde. Die was niet thuis, maar wel mijn schoonzusters. Die hebben we eropuit gestuurd om mijn ouders op onze komst voor te bereiden. In het begin was alles koek en ei, tot ze erachter kwamen dat mijn vrouw een Duitse was. Toen was de interesse beduidend minder. En daar hebben we nog een jaar of vijf, zes in moeten wonen eer we een huis hadden. Dat was niet leuk. Iedereen had er moeite mee dat mijn vrouw Duits was. En de mensen die in de oorlog het minste hadden uitgevoerd, hadden het meeste commentaar.


Ik kon niet meteen beginnen met werken toen ik terug kwam, want de boel lag stil. Toen de fabriek weer open ging kon ik weer aan de slag. Mijn vrouw zorgde voor het huishouden en we kregen een kind. Ik heb toen eerst nog een monteursopleiding gedaan. Later ben ik gaan studeren, de PDNA, dat bestaat in de verste verte niet meer. Het Polytechnisch Bureau Nederland, in Arnhem. Dat waren allemaal technische opleidingen. Daar heb ik vier en half jaar gestudeerd en toen was ik opzichter. Dat ben ik 25 jaar geweest. Ik had een heel mooi leven als opzichter. Wij kwamen overal, je kon het zo gek niet prakkeseren. In de ziekenhuizen, gevangenissen. En in de hoerenkasten! Hadden ze een kabel kapot getrokken van die woonarken. Ik moest er natuurlijk naartoe want ik had weer eens nachtdienst. Dus ik bonkte op de deur, en hoorden we een mannenstem roepen ‘Doe dan toch eens open’. Wordt er terug geroepen ‘Maar ik heb toch niets aan!’

"'Nee, voor Duitsers nemen we geen post aan.’

Dat is dan het neutrale Rode Kruis!"

Toen mijn vrouw was bevallen van onze zoon konden we mijn schoonouders niet bereiken want er ging geen post. Sinds ons vertrek hadden we geen contact meer gehad. Toen kreeg ik de tip dat ik eens naar het Rode Kruis moest gaan. Daar hadden ze van die papieren die kon je invullen en die stuurden zij dan op. Daar mochten geloof ik zes of tien woorden op staan. Nou kan je in tien woorden een hele hoop opschrijven: ‘Zoon geboren, alles gezond, hartelijke groeten.’ Dan ben je er al. Ik breng dat papier terug, zeiden ze ‘Nee, voor Duitsers nemen we geen post aan.’ Dat is dan het neutrale Rode Kruis! Mijn schoonouders hebben uiteindelijk via een dominee, die weer een kennis had die in de buurt van de Nederlandse grens woonde, een brief naar de grens gesmokkeld. Die kregen wij aan de grens en we mochten ook een antwoord meesturen.  Zo konden we contact met ze onderhouden en wisten mijn schoonouders eindelijk dat ze een kleinzoon hadden.


Wat mijn vrouw niet wist, was dat haar ouders in de Russische zone woonden. Ik had het haar nooit verteld en de Nederlandse krant kon ze nog niet lezen. Ik wilde dat ze zich geen zorgen zou maken, want ze kon er toch niet heen, oh God nee. Mijn schoonvader is vrij kort daarop overleden. Hij was boer, en de boeren moesten hooi inleveren voor de Russen. En ze hadden maar één wagen, maar hij was echt een bedrijvige man en wilde zoveel mogelijk hooi op de kar laden. Hij zou het even regelen. Hij klom boven op de wagen om dat hooi aan te drukken. Dat deden ze met een soort kaapstander. Paal over het hooi heen en dan aan de voorkant een lus. En die moest je dan aandraaien en dat drukte het hooi lekker strak. Dat is heel aardig, maar niet dat touw dat niet meer deugde. Hij lag er bovenop om het aan te drukken, maar toen brak dat touw. Hij werd met een hele grote boog de lucht in geslingerd en hij was dood. Het heeft veertien dagen geduurd eer mijn vrouw het wist.


Het was in Nederland niet makkelijk voor mijn vrouw, maar ze was ondertussen al aardig ‘vernederlandst’. Want met elkaar spraken we gewoon Nederlands hoor. De mensen die haar hier kennen, die kennen haar alleen in het Nederlands. De weerstand tegen haar Duits-zijn zakte op een gegeven moment weg.

"Van de treinbankjes kreeg je een blikken achterwerk, de Duitsers hadden het nog zwaarder, die moesten achterin wagons zonder licht."

Op familiebezoek in een verdeeld Duitsland


We hebben haar moeder later verschillende keren bezocht, maar het ging niet gemakkelijk. De eerste keer kreeg ik de tip om naar de Russische ambassade in Den Haag te gaan. Ik er naartoe, maar het nadeel is: ze spreken geen Nederlands en ook haast geen Engels. Er was er een die een beetje zich kenbaar maakte in het Nederlands. De eerste keren stuurden ze me meteen weer weg, maar een andere keer gaven ze me formulieren. Die moest ik invullen in het Russisch. Wie kan dat? Nu waren ze wel zo fatsoenlijk dat ze mij een briefje meegaven van een vent die het wel deed. En die woonde in Rotterdam. Maar die vent vroeg er vijftig gulden voor. En vijftig gulden was niet wat het nu is; het weeksalaris dat wij toen hadden was net dertig. Maar we hebben het toch betaald en hij heeft het keurig gedaan hoor. En ik heb de papieren weer bij de ambassade gebracht. Daar zeiden ze ‘We sturen dit naar Berlijn die sturen die papieren naar Moskou, en Moskou stuurt het weer terug. Als het dan weer in Berlijn is krijg je het wel te horen.’


We gingen niet op vakantie want we zouden de centen nodig hebben als we nog naar Duitsland zouden gaan. We gingen hoogstens een keer op de fiets naar Zeist toe. Meer niet. En dat heeft ongeveer driekwart jaar geduurd. In Den Haag kregen we dan eindelijk de papieren met toestemming dat we mochten gaan. Maar hoe kwamen we daar? Er reden in 1948 nog maar heel weinig treinen. Naar Duitsland gingen er maar drie. Een spoorkaartje kopen was ook al niet zo eenvoudig. Die hadden ze niet meer. En je kon bijna nergens geld wisselen. De enige bank die dat deed was de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam. Mijn verlofdagen waren op, het verlofjaar begon in oktober en in september werden al mijn verlofdagen van het afgelopen jaar ingetrokken. Dus mijn vader heeft het geld voor mij gewisseld en hij is met mijn vrouw naar Den Haag gegaan om een terugreisvisum aan te vragen, zodat ze weer terug naar Nederland mocht. Het vele heen en weer reizen had onze kas danig geplunderd, waardoor we voor de reis geld moesten lenen.

Toen zijn we met de  stoomtrein hiervandaan gegaan. Eerst naar Venlo. Daar kwam de marechaussee, die had weer bezwaren tegen onze papieren. Ze zaten over alles te zaniken, ook wat voor levensmiddelen je bij je had, want je mocht geen levensmiddelen meenemen als je niet kon bewijzen dat je die op bonnen gekocht had. Toen reden we door tot aan Kaldenkirchen en daar kwam de volgende controle, dat waren de Engelsen. Eerst kwam er een Engelse officier langs die vroeg waar we heen gingen. Toen moesten we uitstappen voor controle. De controleurs waren Duitsers in Engelse dienst. Daar mochten we doorrijden. Bij Koblenz kregen we weer controle, omdat we de grens van de Franse sector overgingen. We reden natuurlijk derde klas, we hadden geen centen. Je zat op een houten bank, nou dan krijg je een blikken achterwerk hoor, op een gegeven moment. Maar de Duitsers hadden het nog zwaarder: die mochten niet mee in onze wagon, maar moesten achterin in wagons zonder licht.


Na in totaal ruim twaalf uur in de trein te hebben gezeten kwamen we via Frankfurt in Neurenberg aan. Daar vond ik het na die lange reis wel tijd voor echt Beiers bier. We gingen de wachtkamer  in en bestelden twee bier. Dat was dan 43 mark 20. Ik was stomverbaasd. Wat bleek, je moest 20 mark statiegeld betalen voor de bierpul. Nu hadden we niet genoeg geld bij ons, maar een paar Duitsers die aan ons tafeltje zaten, vroegen ‘ Heeft u sigaretten?’ en zij betaalden grif vier mark voor een sigaret.

We konden kaartjes kopen naar Saalfeld, maar er werd bij verteld dat de trein tot de Russische zonegrens reed. Vanaf daar moesten we de interzonebus nemen, en in de Russische zone weer de trein. Verder was er niets bekend. In Ludwigstadt, het laatste station voor de zonegrens, stapten we over in de interzonebus. Dit was een gesloten vrachtwagen waarbij ik op een gegeven ogenblik een stuk van de dakspanten in mijn hand hield. Na een poosje stopte de vrachtwagen en moesten we uitstappen. Controle voor het verlaten van de Amerikaanse zone. De controleurs waren Duitsers in Amerikaanse dienst. Er was geen Amerikaan te zien. Zij gedroegen zich schofterig, brulden tegen de mensen en groeven in de koffers. Wij zagen het met schrik aan. Toen wij zelf aan de buurt waren overhandigde ik de paspoorten en die vent draaide als een blad aan een boom. ‘ Had u toch gezegd dat u Hollander was, dan had u kunnen voorgaan’. Het ergerde me enorm. In onze koffers werd niet eens gekeken en wij konden de Amerikaanse zone verlaten. 


"Overal stond: ‘bevel van SMAD, de Sovjet Militaire Administratie in Duitsland."


Even verderop lag de Russische controlepost. Anders dan de Amerikaanse controlepost, dat was een kleine barak, was dit een flink houten gebouw met hierop een rode ster. De controle stelde niet veel voor. De interzonebus die ons verder zou brengen was al weg, dus gingen we lopen naar het station Probstzella. Een wandeling van een half uur. In Probstzella aangekomen was het zes uur en de eerste trein ging om half 1 in de nacht. We bestelden twee kopjes koffie en moesten tien mark statiegeld betalen voor twee kopjes zonder oor. De koffie was natuurlijk surrogaat. Op de radio hoorde we dat de grens tussen de Russische en de westelijke zones die nacht om 12 gesloten zou worden. Erin waren we, hoe we eruit moesten komen moesten we maar afwachten. Hoe later het werd, hoe drukker in de wachtkamer. Eindelijk kwam het boemeltje. En dat stonk! Naar ongewassen mensen, zeep was een heel schaars artikel.


We reden mee tot aan Saalfeld Dat was eigenlijk ons eindstation. We moesten verder, de berg op, maar daar was geen vervoer. Je moest zien te liften. Maar eerst hebben we overnacht bij een nicht van Gerdi , die niet zo erg ver van het station op een fabrieksterrein woonde. We hebben daar geslapen en toen we wakker werden, ondanks dat ze bijna niets te eten hadden, hadden ze een konijn gebraden voor ons. De man van Gerdi’s nicht hielp ons met de koffer op een trekwagen en bracht ons naar het eind van het stadje, daar stonden namelijk de vrachtwagens. En ik had nog sigaretten, en dat werkte. Daar betaalde je alles mee. Zo konden we een lift regelen. Het laatste stukje zijn we opgehaald in een karretje. Toen waren we 48 uur onderweg geweest en kwamen we aan bij mijn schoonmoeder. Het was de eerste keer in zeven jaar dat mijn vrouw haar moeder weer zag.


De Russen hadden daar over alles wat te zeggen. Overal stond: ‘bevel van SMAD, de Sovjet Militaire Administratie in Duitsland. En het bleef net zo streng toen de Russen weg waren en de DDR een eigen bestuur had. En net zo moeilijk om er te komen. Vooral een van de volgende keren, toen de bouw van de muur begonnen was. We waren eens bij een vriendin van mijn vrouw en toen werd er op de deur geklopt. ‘Zijn hier gasten uit Holland? Ja, Dan moet u nou naar uw verblijf gaan en morgen allemaal vertrekken. We zouden nog veel langer blijven maar dat mocht niet. Ben er later achter gekomen wat de oorzaak was, het Sovjetleger bezette Tsjecho-Slowakije. En daar wilden ze geen pottenkijkers bij hebben.


Veel mensen in het oostelijk deel van Duitsland wisten niet, of niet meer, wat het leven in een normale staat betekende. De DDR werd uiteindelijk een verouderde en verarmde staat. Het zal nog wel een generatie duren eer de verschillen tussen oost en west niet meer merkbaar zijn. De dictatuur van de Nazi’s werd vervangen door de dictatuur van het communisme. Maar door Gerdi’s afkomst zijn we altijd betrokken gebleven bij Duitsland. Ik ben trots dat ik 65 jaar met haar getrouwd ben geweest.

***

Mail ons: info@toenik21was.nl

Copyright @ Alle beelden en teksten zijn, tenzij anders vermeld, het eigendom van Kim Koops en Esther Ladiges en mogen niet zonder hun toestemming gebruikt worden.