Hélène van Nieuwpoort

Toen ik 21 was zat ik in het laatste jaar van mijn studie Politieke en Sociale Wetenschappen. Ik vond het vanzelfsprekend dat ik door mocht leren, dat had mijn broer immers ook gedaan. Ik ben opgegroeid in Den Haag, maar tijdens de oorlog woonden we in Utrecht. We woonden vlakbij de Maliebaan, tussen de NSB’ers. Van de verzuiling heb ik nooit wat begrepen, al heeft het ook in mijn leven zijn sporen nagelaten.

Foto: Het Utrechts Archief

Hélène Nieuwpoort, toen nog van Wolveren, 1953-1954

Hélène Nieuwpoort, februari 2016

Oorlogsjaren


Toen ik zes jaar oud was, brak de oorlog uit. Ik woonde in Den Haag en ging naar de lagere school. Ons eigen schoolgebouw was gevorderd voor de mobilisatie. In de eerste oorlogsdagen had mijn moeder een touwtje door de brievenbus gehangen, zodat ik bij een luchtaanval snel naar binnen kon komen. Onze ruiten moesten we met repen papier beplakken tegen het springen bij een eventueel bombardement. Dat heb ik toen ook met de ruitjes van mijn poppenhuis gedaan.

Van het begin van de oorlog herinner ik me ook de NSB’ers met hun krant Volk en Vaderland en hun driehoekige speldjes. Mijn ouders waren heel duidelijk over de NSB en de bezetter, ze kapten alle contact met mensen met NSB-sympathieën af. Thuis werd er veel gesproken over ‘het front’ en er werden veel landkaarten bekeken. Op de radio luisterden we naar de toespraken van koningin Wilhelmina, totdat de radio ingeleverd moest worden. Wanneer dat was weer ik niet meer.

De oorlog betekende veel schaarste. Iedereen ging daardoor ook anders gekleed. Mijn moeder had veel lappen en ze was handig. Ze naaide, vermaakte en breide kleding voor ons. Je had geluk als je dat nog had. Schoenen waren hopeloos, want niemand had een voorraad schoenen voor alle leeftijden. Ik heb oude schoenen van mijn broer gedragen, maar ook klompen en houten klakkies. Na de oorlog hield die schaarste nog jaren aan. Mijn eerste avondjurk was op textielpunten en de tweede zelfs ook nog. Zoveel jaren na de oorlog. Het is eigenlijk niet voor te stellen.

Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik voor het eerst zelf een paar schoenen uit mocht zoeken met de schoenenbon. Ik droomde van een paar schoenen met sleehakken. Dat vond ik toch het einde, uiteindelijk kwamen er toen linnen schoenen en die waren niet op de bon. Dus toen kreeg ik eindelijk een paar schoenen met sleehakken. Je kunt je nu niet meer voorstellen hoe dat was. Een vriendinnetje kreeg schoenen uit Amerika, die pasten niet en toen kreeg ik ze. Dat waren tweedehandsschoenen, maar ik was er dolgelukkig mee. Uit Engeland kwamen er lange zeemansonderbroeken. En omdat ik op ballet zat verfde ik ze zwart en droeg ze als maillot. Mijn moeder verknipte ze nog tot onderbroeken voor mij. Dat vond ik wel vreselijk. Dat zou je kinderen nu natuurlijk niet meer aandoen, maar dat was toen gewoon

"Een joods vriendinnetje van me liep na afloop van mijn verjaardagsfeestje de portiek uit en bedekte met haar hand de ster op haar borst."

Er was tijdens de oorlog ook wel veel angst. De joden. Veel vrienden van mijn broer zijn verdwenen, er zaten veel joodse studenten op zijn gymnasium. Een van hen kwam ons speelgoed brengen van zijn zusje, omdat ze weggevoerd werden. De pop die ik van hem kreeg heb ik Ada genoemd, naar haar vorige eigenaar. Een joods vriendinnetje van me liep na afloop van mijn verjaardagsfeestje de portiek uit en bedekte met haar hand de ster op haar borst. Na links en rechts gekeken te hebben of ze veilig kon oversteken liep ze verder. Het staat me al die jaren later nog zo helder voor de geest.

De moeder van dat vriendinnetje heeft mijn moeder later nog gevraagd om, zodra zijzelf de kamer uit was, zo veel mogelijk van hun spullen mee te nemen. Het gezin was opgeroepen. Mijn moeder kwam toen helemaal ontdaan met een tas vol spullen thuis. Ik heb nog een paar van die dingen. Er is niemand teruggekomen. Mijn moeder is na de oorlog nog in dat huis geweest en daar lag het trouwportret nog op de grond. Dat zit nu in mijn album. De mensen op de foto zijn niet meer teruggekomen. Ja, dat vond ik toch wel vreselijk.

Mijn vader werkte voor het Ministerie van Waterstaat op het Binnenhof. Dat werd tijdens de oorlog geëvacueerd naar Utrecht. Midden 1943 verhuisden we van Den Haag naar Utrecht. Het verhuizen was voor mij geen probleem, ik ben heel veel verhuisd. Ik kan me blijkbaar goed aanpassen. Het was eigenlijk een hele warrige tijd. Toen duidelijk werd dat mijn vader voor zijn werk naar Utrecht werd overgeplaatst hebben we maanden met allerlei pakkisten gezeten, want we wisten niet wanneer we weg gingen. Een deel van de meubels hadden mijn ouders al verkocht. Op een gegeven moment moest het koper ingeleverd worden. We hadden heel mooi Indisch koper, maar dat hebben ze niet ingeleverd. Ze zochten de lelijkste dingen die ze konden vinden bij elkaar en dat gaven ze af.

"We woonden helemaal tussen de Duitsers."

In Utrecht moest er voor al die ambtenaren een huis gevonden worden. De ambtenaren konden niet allemaal een eigen huis krijgen, dus moesten veel gezinnen bij anderen gaan inwonen. Wij kwamen ook bij andere mensen in huis. Het was een prachtig herenhuis aan het Oorsprongpark waarin we betrekkelijk veel ruimte konden gebruiken. We zaten alleen helemaal tussen de Duitsers: de Jeugdstorm zat links en tegenover ons stond zo’n vrijstaande kapitale villa, daar zaten de Grijze Muizen. Dat waren de vrouwelijke Duitse hulptroepen. Voor de rest zaten er eigenlijk allemaal NSB’ers en Duitsers. En Rijkswaterstaat zat er. Omdat we tussen al deze Duitsgezinde organisaties woonden hebben we heel lang elektriciteit gehad.

Ik had eigenlijk op een school aan de Maliebaan moeten zitten, maar ik kwam per vergissing op een christelijke arbeidersschool in de Bloemstraat terecht. Ik voelde me eigenlijk best wel prettig tussen de arbeiderskinderen, vergeleken met het ambtenarenmilieu in Den Haag. Ik vond de kinderen in Den Haag te pesterig. In Utrecht voelde ik me meer op mijn gemak. We hadden daar een fantastische onderwijzer. Die kwam op huisbezoek, tot verbazing van mijn ouders. Die man deed zulke leuke dingen. Hij liet ons bijvoorbeeld corresponderen met een klas uit Breda, hield wedstrijdjes wie het snelst de Bijbelboeken op kon zeggen en er werd een schoolkrant opgezet. Het was echt een heel leuk jaar. Ik heb het heel erg naar mijn zin gehad in Utrecht.

Ik vind het heel leuk om door een stad te zwerven. En er was geen bus, dus je liep alles. Er was toen weinig verkeer. Ik heb een rolschaatsclub opgericht, waarvoor ik halsdoeken maakte van een stukje oud tafelkleed en een luciferdoosje. De politie heeft later verdomme nog mijn rolschaatsen in beslag genomen. Terwijl er helemaal geen verkeer was, dus waarom mocht je niet op straat rolschaatsen?         

"Mijn ouders wilden niet dat ik naar de film ging: dat was allemaal Duits."

Je moet ook rekenen, er was helemaal geen amusement. Ik fietste met mijn ouders wel rond Utrecht, maar we gingen niet ergens eten of drinken. Stoppen om iets te bezichtigen was er ook niet bij. Er was helemaal niets te beleven. Mijn ouders wilden niet dat ik naar de film ging. Dat was allemaal Duits. Ik had een vriendinnetje die dat wel deed, en die vertelde mij daar dan over. Zij leerde me Duitse schlagers. Met haar zus gingen we ook een keer naar Heck’s lunchroom om een groot orkest te zien spelen. En een keer was er het circus Mikkenie-Strassburger, en toen heb ik mijn ouders gek gezeurd om naar een circusvoorstelling te mogen gaan. Uiteindelijk mocht het. Verder was er niets, je moest je zelf vermaken en dat deden we ook. We speelde slagbal in het park en we gingen vrij veel naar het openluchtzwembad in de Kromme Rijn. Het zwemwater was eigenlijk heel vies en ik liep er uiteindelijk ook een infectie op. Ik had veel galbulten die ik openkrabde en dat ging ontsteken. Van top tot teen onder de zweren ben ik toen in het Academisch Ziekenhuis terecht gekomen.

Op de zonneweide van het zwembad maakte ik snel nieuwe vriendjes, waarmee ik dan weer nieuwe dingen kon gaan doen. Zo had ik een vriendje die in een werfkelder een kano had liggen waar we mee konden varen. In de winter gingen we schaatsen. Ik heb zelfs geschaatst op de vijver rond de vrijstaande villa tegenover ons huis. Al de sneeuw weggeruimd en dan had ik een schaatsbaantje. Ik had heel veel vriendinnetjes. Ik had ook een club opgericht waarmee we Mensendieck-Cesar deden, bij mensen thuis. Dan had je toch een beetje beweging op muziek.

De mensen waarbij we inwoonden hadden twee volwassen zonen van de leeftijd van mijn broer, en twee kleine kinderen. Het jongste meisje was niet helemaal in orde. Ze zag er engelachtig uit, maar was wat je vroeger achterlijk noemde. Die heb ik geprobeerd toch wat te leren. Ik nam haar ook mee naar die gymnastiek. Het jongetje was wat jonger dan ik, maar daar speelde ik ook wel mee. Toen er aan het einde van de oorlog geen school meer was, heb ik geprobeerd om die jongen toch nog wat bij te brengen.

In de hongerwinter werd mijn moeder geopereerd. Dat was ook wel een ellende. Toen ben ik bij een vriendinnetje in huis geweest. Die woonde in zo’n arbeidershuisje met nog een poepdoos in de keuken. En één kraan. Dan vraag ik me af, hoe deden we dat ook weer met wassen? Er waren vijf kinderen, ik en twee onderduikers. In dat kleine rothuisje, niet te geloven. Maar gezellig dat het was. Zelfs mijn broer kwam een keer langs met zijn gitaar. Ik was thuis een beetje alleen, maar in zo’n groot gezin met alle aanhang, dat was wel heel anders. Dat was een bijzondere ervaring voor mij. Ik vond het best een leuke tijd. Dat klinkt misschien gek, maar het leven ging in zekere zin toch gewoon door.

"Mijn broer is in de Arbeidsdienst gegaan, hij wilde later nooit over de oorlog praten."

Mijn broer is uiteindelijk ondergedoken, net als de twee oudste jongens van de familie waar we inwoonden. Ik heb hem wel eens gevraagd naar al die joodse vrienden van hem die zijn verdwenen. Of hij een idee had over wat er met hen zou gebeuren. De vraag emotioneerde hem heel erg. ‘Ik had het kunnen weten, ik had het kunnen weten’ zei hij, maar verder wilde hij er niet over praten. Mijn broer is in de Arbeidsdienst gegaan. Hij zat ergens in Limburg. En hij is daardoor ontkomen aan uitzending naar Duitsland. Hij wilde later nooit over de oorlog praten. In elk geval kwam hij op den duur terug uit de Arbeidsdienst en is toen ondergedoken. Op een gegeven moment is hij toch opgepakt. Dat was aan het einde van de oorlog. Maar toen heeft hij kunnen vluchten.

Het leven ging in de oorlog voor ons gewoon door. We moesten wel hout sprokkelen in het park in de buurt. En we moesten naar de gaarkeuken. Met een etensdragertje naar de gaarkeuken gaan was mijn taak. Het eten was er niet al te best. Toch was de rode koolstamppot mijn favoriet. Al leek dit meer op soep. Om het eten toch nog een beetje smaak te geven overgoten we alles met Salatoma, een soort ouderwetse ketchup. Ik weet niet meer of we de hele oorlog warm water hebben gehad. Zolang we nog elektriciteit hadden, konden we elektrisch blijven koken. Toen dit niet meer ging zijn we overgegaan op een potkacheltje met extra kookruimte op de pijp. De hooikist werd gebruikt om het eten nog verder gaar te laten worden. Mijn moeder moest toen nog aansterken van het ziekenhuis en at vlees van de zwarte markt. In een stoffen zak kookten we roggebrood en we aten suikerbieten.

Als mijn tante uit Rotterdam kwam logeren, laadden we haar fiets altijd vol met nieuw rantsoen. Ze hadden het in Rotterdam een stuk slechter dan bij ons. Ik heb sowieso niet echt honger geleden. Mijn vader kon, doordat hij de voedselvoorziening voor het hele ministerie verzorgde, altijd wel aan iets te eten komen. Het is een geluk dat mijn tante nooit is betrapt. De fiets was altijd zo volgeladen dat ze haar moesten afduwen.

Op het ministerie van mijn vader zat een NSB secretaris-generaal. Ik weet wel dat mijn vader in zijn spullen snuffelde. Tot er op een gegeven moment een briefje lag: ‘De dief wordt vriendelijk bedankt voor het terugbrengen van de stukken’. Dat vond mijn vader heel vreselijk. Hij doorzocht het bureau wel vaker, maar om een dief genoemd te worden vond hij erg. Hij was een heel integere man. Hij is onderscheiden voor het werk dat hij gedaan heeft en voor de voedselvoorziening voor de mensen van het ministerie. Hij had relaties, bijvoorbeeld in Scheveningen. Dan kwam er s ‘nachts een vrachtwagen met gebakken vis. Ja, heel vreemd. Als kind vraag je ook niet zo veel hè. Ik kreeg daar later enorm veel spijt van, dat ik bepaalde dingen gewoon niet weet van mijn vader. Mijn vader vertelde niet zo veel en ik vroeg dus niets.

Tabletten chocola en limonade in poedervorm


Het laatste oorlogsjaar was vrij chaotisch. Het laatste oorlogsjaar had ik geen school meer. Mijn vader had voor zijn werk toen nog een auto met chauffeur ter beschikking, en ik reed met hem mee. Hij werkte ook voor de ondergrondse. Er kwamen mensen die gevlucht waren voor de Duitsers. Je moest de illegale blaadjes onder het kleed stoppen als er gebeld werd, dat soort dingen. Hij gebruikte de auto ook  voor zijn verzetsactiviteiten. Ik vond hem een onverschrokken man. Ik ben ook een keer met mijn vader naar Kamp Vught geweest. Mijn vader kon daar gewoon naar binnen rijden. Niemand had in die tijd een auto, dus men ging er daar van uit dat hij daar hoorde. Ik herinner me vooral de wachttorens en de mensen in gevangeniskleding. Maar op een gegeven moment werden we aangehouden en moesten we snel wegwezen. Toen we thuiskwamen was mijn moeder woedend dat mijn vader me mee had genomen naar het kamp.

En de Maliebaan stond uiteindelijk vol met huifkarren en paarden. De Duitsers waren hun vertrek aan het voorbereiden. Zo ook de Jeugdstorm naast ons. Daar werden papieren verbrand. Ik ben toen door de dakgoot geslopen en het pand binnen gegaan om te kijken of er nog wat lag. Het meeste was al weg, maar ik heb nog wel iets kunnen weghalen, waaronder wat emblemen.

De bevrijding was een geweldig gebeuren. Ik heb daar op een tank gezeten en ben heel Utrecht doorgereden. Met mijn houten klakkies aan, die ik met rood, wit en blauw had versierd. De Canadezen stonden met wat caravans in het Wilhelminapark. We kregen bonnen en dan kon je een hele zak met crackers halen. Een andere keer kregen we worstjes. Ik vond die crackers met die worstjes erop zo hemels. Ik kreeg ook van de Canadezen mijn eerste sigaret, die ik in de dakgoot oprookte. Mijn broer bracht tabletten chocolade en limonade in poedervorm voor me mee. Die had hij gekregen van de Amerikanen voor wie hij in een orkestje speelde. Ik vond het heerlijk!

De scholieren moesten ook nog voor de burgemeester defileren. Ik mocht helemaal vooraan lopen, nog voor het vaandel. Ik weet nog niet waarom dat mocht, maar ik zat nog goed in de kleren dus wellicht heeft dat meegeholpen. Ik denk dat mijn ouders toch ook gewoon doorleefden en toch ook wel zorgden dat het leven voor mij een beetje doorging. Ik weet nog wel dat op mijn verjaardag toch nog een soort van taart werd gemaakt. Al die dingen hebben een diepe indruk gemaakt hoor. Dat merk ik ook wel aan anderen van mijn generatie: de oorlog speelt altijd een rol. Zo jong als we waren.

Terug naar Den Haag


Na de oorlog gingen we weer terug naar Den Haag. Dan moest je natuurlijk nog maar zien dat je een huis kreeg. Mijn ouders hadden graag in de Vogelwijk willen wonen. Maar die was nog helemaal afgesloten. Al het glas was eruit. Toen zijn we in de Vruchtenbuurt terecht gekomen. Maar er was niets hoor. We hebben daar ontzettend kou geleden in dat huis. Daar had eigenlijk centrale verwarming in gemoeten, maar dat was door die oorlog niet gebeurd. Met stalen ramen lijdt je ontzettende kou. Vreselijk! Ik zie me nog zitten. Met mijn broer ieder aan een kant van de kachel zaten we dan te leren met onze benen op die kachel. Mijn broer was negen jaar ouder. Dan groei je eigenlijk een beetje als enig kind op. Hij was er hele tijden na de oorlog niet, maar hij is weer naar huis gekomen, heeft zijn studie afgemaakt en is getrouwd. En toen is hij het huis uitgegaan. Daar leef je niet zo mee samen.

Er was geen behang. Op de muur werd Vloeba-behang gedaan. Ik mocht er dan wel alle filmsterren op plakken die ik wilde. En mijn moeder haakte van vissersgaren, waar mijn vader dan weer aankwam via relaties uit Scheveningen, de vitrage. Er was gewoon niets. Er waren hele wijken gesloopt en dan gingen we met mijn moeder eens op jacht om te kijken of er in die tuinen nog iets van planten stonden die we voor onze eigen tuin konden gebruiken. Ja, dat was een gekke tijd hoor.

Er was met school een uitwisseling met België. De Belgen waren natuurlijk veel rijker dan wij, ze waren eerder bevrijd. Mijn belangrijkste Belgische vriendin heeft mij toen wol gestuurd, daar heb ik een vest van gebreid. Dat heb ik drie keer uitgehaald om daar dan weer andere dingen van te maken, op het laatst nog een blazertje voor mijn oudste zoon. Kun je nagaan. En wij zijn ook naar België geweest, toen heb ik een paar kousen gekocht. Kousen hadden we ook nooit, we liepen met sokjes in de winter. Die kousen hebben het het hele seizoen van het dansen uitgehouden.

Studeren in Amsterdam


Toen ik 21 was zat ik in het laatste jaar van mijn studie politieke en sociale wetenschappen. Ik ben gestopt na mijn kandidaats, dus het derde jaar was mijn laatste jaar. Dat werd afgesloten toen ik 22 werd. Vlak daarvoor heb ik examen gedaan en daarna hebben mijn man en ik ons verloofd. Daarna is hij in dienst gegaan en ben ik gaan werken. Ik sprak een oud studiegenoot en die was eigenlijk heel verbaasd dat ik toen ophield met studeren. Maar ja, mijn verloofde kreeg een gulden per dag in dienst. Wij wilden trouwen als hij uit dienst kwam, dus ik wilde sparen voor mijn uitzet. Die diensttijd, dat waren eigenlijk twee verloren jaren. Mijn vader vond het heel erg dat ik ophield. Maar ik wilde geld verdienen. Hij heeft mij aangeboden om geld te geven als ik wilde trouwen en dan toch mijn studie af te maken, maar dat wilde ik niet. Toen heb ik twee jaar gewerkt bij het net nieuwe Ministerie van Maatschappelijk Werk. Ik heb er nooit spijt van gehad.

Ik ben politieke en sociale wetenschappen gaan studeren omdat ik allemaal vragen had, vooral in verband met de wereldoorlog. Bijvoorbeeld hoe het mogelijk was dat een volk achter iemand als Hitler kon aanlopen. Je kwam toen ook meer in contact met andere volkeren. De hele Indonesiëkwestie heeft mij toen ook beziggehouden. In 1949 was er de Ronde Tafel Conferentie over Indonesië. Mijn vader heeft toen stukken voor mij meegebracht. Hij kwam overal. Wij hadden er thuis hele discussies over. Mijn ouders vonden dat Indonesië nog niet zelfstandig was. Ik was het daar niet mee eens, mensen die vrij willen zijn die kun je niet tegenhouden. Mijn ouders stemde zelfs op Jan Schouten van de ARP, alleen omdat hij tegen die Indië-politiek was.

Ik vond het eigenlijk wel vanzelfsprekend dat ik ging studeren. Mijn broer ging naar het gymnasium, ik ging ook naar het gymnasium. Mijn broer ging studeren, ik mocht ook studeren. Ik heb pas later gemerkt dat andere vrouwen niet mochten studeren, omdat die ouders zeiden ‘Ach, je trouwt toch, daar geven we geen geld aan uit’. Maar ik mocht dat dus wel. Ik was daar heel dankbaar voor en ik ben heel blij dat ik die dankbaarheid ook geuit heb naar mijn ouders. Ik zag dat in correspondentie uit die tijd. Mijn ouders hebben me alle kansen gegeven.

"Ik vond het eigenlijk wel vanzelfsprekend dat ik ging studeren."

Sociologie was toen eigenlijk nog geen vak. In Leiden kon je het niet studeren. Na je kandidaats pas. Je moest eerst rechten studeren. Amsterdam was de enige kans, dus daarom ben ik daar gaan studeren. Het eerste jaar van mijn studie heb ik in Amsterdam gewoond. Verder heb ik gewoon heen en weer gereisd tussen Den Haag en Amsterdam. Ik woonde weer bij mijn ouders, vooral omdat ik veel ziek was. En mijn man zat toen ook hier. Die leerde ik kennen in het tweede jaar. Ik was hem in Den Haag tegengekomen.

Die politiek-sociale faculteit was verdeeld in drie secties. A was zwaar politiek: economie en recht en zo. Daar zaten heel veel mannen. En ik zat in een hele kleine sectie, B sociologie en etnologie. En dan had je C, Sociale psychologie en sociale pedagogiek. Ik had graag sectie A gedaan, maar daar was de wiskunde heel zwaar. Daar zaten wel veel meisjes. Ik wist eerst niet goed wat ik wilde studeren, kunstgeschiedenis en Frans leken me ook interessant. Ik kon al goed schrijven. Maar ik ben bij sociologie wel echt op mijn plaats geweest. Dat was genieten.

Mijn faculteit gold als heel rood. Er waren wel affaires met de benoeming van hoogleraren. Het was een gemeentelijke universiteit, dus de gemeente besliste over de aanstelling van hoogleraren. Ik vind dat wij heel goed opgeleid zijn. Heel veelzijdig. Dat kwam ook doordat ik er heel veel dingen naast heb gedaan. Ik vond het gewoon leuk om overal rond te kijken. Je had colleges filosofie bijvoorbeeld, die waren enorm drukbezocht. Daar ging iedereen gewoon uit liefhebberij heen. Het lijkt wel of dat tegenwoordig niet meer voorkomt. Het was ook net na de oorlog. Er waren ook veel oudere studenten bij, die natuurlijk al die jaren stil hadden gestaan en die toen naar de universiteit kwamen. We waren gulzig naar kennis en heel optimistisch .

Mijn keuzevak was moderne geschiedenis van Jacques Presser. En daar moest je best heel veel voor doen hoor. Hij gaf college over de Duitse elite en de hele voorgeschiedenis. Moest veel boeken lezen en voortentamens doen. En een scriptie schrijven. Je kreeg het niet cadeau. Hij was een geweldig boeiend docent. En ook een heel aardig mens. Ik heb bij hem thuis tentamen gedaan. Als ik nu zijn boeken weer lees, ben ik toch wat minder enthousiast. Hij heeft er heel veel feiten in gestopt; het is een beetje een omgevallen boekenkast.

"Ik volgde moderne geschiedenis bij Jacques Presser."

In de collegebanken spraken we niet echt over politiek, of de kolonisatie. Maar ik was er zelf wel erg in geïnteresseerd.  Ik heb als jong meisje zelfs nog gecorrespondeerd met een soldaat die daar gelegerd was. Ik was 15 of zo, dat was waarschijnlijk helemaal zijn bedoeling niet. Die had ergens in een blad correspondentie gevraagd en daar heb ik toen op gereageerd. Mijn broer, die veel ouder was, stuurde gitaarlessen naar Indonesië. Naar een of andere soldaat. Dat leefde toen toch wel heel erg, zo rond de politionele acties. En er kwamen natuurlijk mensen terug. In mijn klassen zaten mensen die terugkwamen uit Indonesië. Vooral hier in Den Haag leefde het toch wel heel erg. Misschien was het bij studentenverenigingen wel anders, dat weet ik niet. Het was in Amsterdam ook not done om daar lid van te zijn. Het was een soort alternatief studentenleven.

Ik heb ook bij Wertheim college gelopen. Dat was een echt sleutelfiguur, een hele linkse man. Die gaf colleges over Indonesië. De universiteit werd als heel links gezien, maar ik heb dat nooit zo gemerkt. Ik vond het objectief. Over politiek kreeg je bijvoorbeeld politieke theorie, vanaf Plato, en ik kan niet zeggen dat het politiek gekleurd was. Wij praatten er natuurlijk zelf wel over. Ik reisde met twee andere spoorstudenten en wij hebben onderling heel veel gediscussieerd tijdens de treinreizen. Maar de dekolonisatie was toen geen item. Het was nog helemaal niet uitgekristalliseerd, denk ik.

Ik heb een groot deel van het eerste jaar in een studentenhuis gewoond met bijna allemaal Zuid-Afrikaanse studenten. Die studeerden allemaal medicijnen. Ik was niet de enige vrouw, want een van de andere studenten had zijn vrouw bij zich. En later kwam er nog een meisje bij. Het heette het Albert Schweitzerhuis. Het was opgezet als een heel idealistische instelling, maar daar was echt helemaal niets van terechtgekomen. Het bestaat nog steeds, het ligt vlak bij het Vondelpark. Het schijnt nog steeds een deftig studentenhuis te zijn. Maar het was ook een hotel, dus er waren ook wel gewone hotelgasten.

De studentenprotesten zijn van na mijn tijd. Wij vonden het zelf helemaal niet nodig dat het anders moest. De meeste hoogleraren waren heel aardig, met een paar uitzonderingen. Wij waren ook wel vaak bij professoren thuis en zo. Ze nodigden ons dan thuis voor een college uit, omdat het zo’n klein groepje was. Je had ook wel colleges in grote afgeladen zalen, dat wel. Maar je had ook veel werkcolleges die in kleiner verband waren.

In de Agnietenkapel deden wij Internationale Betrekkingen. Dan had je het Tropenmuseum, daar zat onder andere Wertheim. In een van die Lombardstegen was de werkgroep sociografie. Daar kregen we ook de nodige opdrachten voor, daar heb ik best wel hard voor moeten werken. Verder was het allemaal eigenlijk in de Oude Manhuispoort. Naast de Universiteitsbibliotheek had je nog een kaal stuk en daar had je een terrasje; wat toen eigenlijk heel bijzonder was. Daar gingen we dan koffie drinken. En je had de Cineac in de Reguliersbreestraat en daar gingen we ook wel eens heel en daar aten we dan ons brood op. Er was ook een koffiekamer in de Oudemanhuispoort met alleen koffie en thee.

"Mijn kandidaatsexamen kwam in de krant."

Ik was de enige die kandidaats deed, dus het was geen hele feestelijke gebeurtenis. Je krijgt je examen en daarna krijg je je papier. En dat was het dan. Mijn moeder is mee geweest. Het kwam zelfs in de krant, dat zou nu toch ook niet voorkomen hè. Ik denk dat dat voor iedereen zo was. Mijn sectie was heel klein, ik geloof dat er niemand meer overgebleven is, heb nooit meer iemand gezien.

Ik ging graag uit, naar het theater, naar concerten, of naar de film. Ik zat altijd op het schellinkje. Dat is de goedkoopste rang, want het kon niet te duur zijn. Meestal helemaal boven, dat was met ballet wel goed. Daar besteedde ik veel tijd aan. En ik maakte mijn eigen kleding . En in het weekend ging ik naar huis, naar Den Haag. En het tweede en derde jaar moest ik dus op en neer reizen.

Ik hield ook erg van dansen. Ik heb meegedaan aan klank- en lichtspel op het Binnenhof, het Wonderlijk Uur, toen Den Haag 700 jaar bestond. Het verbaast me achteraf, toen was ik 14-15, dan ging je daar naar het veiling gebied om te repeteren ’s avonds. Daarna ging je iedere avond naar het Binnenhof. En je kon dat als meisje gewoon doen, ’s avonds over straat. Ik ging ook gewoon naar het Zuiderpark theater ’s avonds. Daar waren ook altijd voorstellingen en dan ging ik op het fietsje in het donker weer door het park terug. Dat was heel gewoon. Dat heeft me achteraf wel verbaasd. Ook mijn ouders die over het algemeen best streng waren, die vonden dat heel gewoon. Dat zou nu niet meer kunnen.

Ik haakte ook handschoentjes en die verkocht ik aan kennissen. En daar kocht ik dan weer andere dingen voor. Toen ik mijn man leerde kenden, kostte dat natuurlijk ook veel tijd. Ik heb hem leren kennen op dansles in Den Haag. Ik was heel geïnteresseerd in dans, ik heb er voor sociologie zelfs een scriptie geschreven. Hij zat nog op school. Het laatste jaar, toen hij eindexamen MTS moest doen en ik moest kandidaats doen. Ik had bijna geen college meer en ik ging hem iedere dag van school halen. Ik zette hem ook aan het werk,  hij studeerde niet zo hard. Daarom mocht ik van zijn vader ook eerst niet bij hem thuis komen, hij moest eerst maar harder gaan studeren. Maar toen hij merkte dat ik hem aan het werk zette was hij gerustgesteld.

Mijn ouders waren vrijzinnig. Ze waren wel gelovig, maar ze hoorden niet bij een kerk of zo. Ik kan ook niet zeggen dat we bij een bepaalde zuil hoorden. Ik weet eigenlijk niet eens wat ze stemden. Mijn vader zat daar altijd op het stembureau, maar wat hij toen stemde weet ik niet. In de tijd van Indonesië stemden ze dus ARP, maar alleen vanwege de Indonesiëkwestie. Ik ben al vrij jong lid van de PvdA geworden. Eigenlijk ook door die kwestie. 22 was ik ongeveer. Met 23 werd je ook pas volwassen hè, toen mocht je pas stemmen.

Ik vond het helemaal niet leuk dat ik zo lang moest wachten. Er kwam op een gegeven moment iemand aan de deur en die was van de Partij van de Arbeid. En toen zei ik tegen mijn moeder, laat maar boven komen, ik wil eigenlijk wel lid worden. Wij zijn later ook lid geweest van Provo, we kregen die blaadjes ook. Daar zaten ook best veel leuke mensen bij hoor. Ze hadden hele leuke initiatieven, zoals met die witte fietsen. Veel dingen zijn toch ook uit de hand gelopen vind ik. Dat is wat altijd moet gebeuren, dat is zo jammer.

Verzuild Nederland


Toen ik klaar was met studeren ging ik werken bij het Ministerie van Maatschappelijk werk. Het was een hele vreemde ervaring om als sociologe in die hoek van maatschappelijk werk te komen, want het was helemaal verzuild. Alle organisaties hadden een aparte protestantse, katholieke en neutrale afdeling. Het ministerie had een katholiek accent. Het maatschappelijk werk was tot die tijd voornamelijk kerkelijk georganiseerd. Iemand raadde mij aan om bij mijn sollicitatie te zeggen dat ik niet katholiek was, want er moesten nodig een paar niet-katholieken aangenomen worden. Dus dat heb ik ook gezegd, ik heb later gehoord dat ze zich rot gelachen hebben!

Ik werkte bij bejaardenzorg. Er was toen genoeg werk te krijgen, ik heb gewoon genomen wat het meeste opbracht. Op die afdeling heb ik twee jaar gewerkt. Ik heb het er heel leuk gehad, het waren hele aardige en behulpzame mensen. Mijn vader werkte voor het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Hij werkte aan de ene kant van het Binnenhof en ik aan de andere kant. ’s Ochtends was ik altijd te laat, maar ’s avonds gingen we altijd samen naar huis met de tram.

Omdat ik vond dat ik te weinig werk had, heb ik ook nota’s voor de landbouwvoorlichting geschreven. Een keer moest ik een nota schrijven die was bedoeld voor de Verenigde Naties, over Nederlands maatschappelijk werk. Die is in een la verdwenen en daar waarschijnlijk nooit uitgekomen, want ik kon die verzuiling er niet in krijgen. En dat hadden zij natuurlijk gewild. Ik wist niet hoe ik dat moest doen, dus ik heb dat gewoon weggelaten, want ik zag het belang er niet van in. Bovendien kon ik me niet voorstellen dat mensen in andere landen daar belangstellig voor zouden hebben. Het was zo typisch Nederlands.

"Zorginstellingen werden veelal door katholieke ordes beheerd."

We gingen naar instellingen en congressen en zo. Maar verder zat ik toch voornamelijk op kantoor.

Er werd toen een wet voorbereid voor het toezicht op bejaardenhuizen, want er waren heel veel misstanden. Het was heel vaak in particuliere handen. Grote instellingen met allemaal zalen. Heel veel ook door katholieke ordes beheerd, en dat ging niet allemaal even goed. De sfeer was daar vreselijk, totaal geen privacy. Het heeft nog jaren geduurd voordat er een wet kwam. Elke keer maakten wij  met de beleidsambtenaren een wetsontwerp, dat ging vervolgens naar de Kamer, en kwam daarna toch weer terug. Er waren opmerkingen over en er moesten dingen anders. Dat was een eindeloze zaak. Het was verder ook inventariseren wat er was op het gebied van de bejaardenzorg.

We kregen toen ook de AOW. Er veranderde eigenlijk heel veel in de bejaardenzorg. Projecten als Tafeltje Dekje kwamen toen ook op, net als vrijwilligerswerk en allerlei tijdsbesteding voor bejaarden. Alles was een beetje in opkomst. Mijn collega’s hielden zich bezig met invaliden, maar ook met ongehuwde moeders. Ambonezenzorg kwam toen ook. En na de Hongaarse Opstand meldden zich ontzettend veel mensen om Hongaren op te nemen, daar werd ook van alles voor geregeld. Ik heb nog meegemaakt dat de eerste vrouwelijke minister kwam, minister Klompé. Toen ik op het ministerie werkte, werkten er allemaal ongetrouwde vrouwen. Daar keek ik toen niet van op. Later is het pas tot mij doorgedrongen dat er geen een getrouwde vrouw bij ons werkte. Ik had daar ook niet kunnen blijven werken als getrouwde vrouw. Maar in het jaar dat ik trouwde, in 1957, is de wet veranderd. Vrouwen kregen toen ook handelingsbevoegdheid.

Ik heb later nog wel geprobeerd mijn studie af te maken, maar dat is niet gelukt. Ik ben na mijn trouwen naar Amsterdam gegaan. Het was toen ontzettend moeilijk om huisvesting te vinden, daar hebben jullie echt geen idee meer van. Al onze vrienden woonden vreselijk. Op zolders, inwonend. We wisten dat als je nu maar solliciteerde in een andere gemeente, dat die gemeente dan verplicht was om je een huis aan te bieden. Dus dat hebben wij toen gedaan. Ons huis lag aan de grachtengordel, maar het was een half krot! We hebben er heel veel geld aan besteed om het op te knappen.

Toen ben ik gaan kijken hoe het zat met het afmaken van mijn studie. Studeren was helemaal niet zo duur, want je hoefde maar vier jaar collegegeld te betalen. Ik heb een studiebeurs gekregen om verder te studeren, maar toen raakte ik zwanger. En ik was zo doodziek dat ik niet verder kon studeren. Omdat we een kind kregen, zijn we verhuisd naar Bussum. Toen het kind wat groter was heb ik geprobeerd om dan toch weer te beginnen. Maar toen kreeg mijn man een baan in Tilburg en moesten we verhuizen. Voordat ik daar zou mogen studeren zou ik een tentamen Thomastiek moeten doen. Over Thomas van Aquino dus. En ik dacht nou ja zeg, een katholieke student hoeft ook geen extra tentamen te doen. Dus ik deed het gewoon niet. Daarna heb ik nog een tweede kind gekregen.

"In Tilburg kreeg je katholieke wiskunde."

We hebben ook een tijd in Brabant gewoond. We wilden absoluut niet dat onze zoon daar naar een katholieke jongensschool ging. Wij zijn speciaal in Oisterwijk gaan wonen omdat daar een neutrale school was. In Tilburg kon dat niet eens. Je had daar zelfs katholieke wiskunde en dat soort idiote dingen. Een klasgenootje van mijn zoon was doodgereden door een vrachtwagen, en hij kon nergens begraven worden omdat hij niet katholiek was. In Oisterwijk werden SDAP’ers letterlijk bespuugd. Maar toen we weg waren was het veel minder, de afbouw van de katholieke kerk is heel snel gegaan.

We zijn uit Oisterwijk vertrokken omdat het  daar allemaal heel erg ongezond was. Oisterwijk heeft het hoogste percentage bronchitispatiënten van heel Brabant. We kregen allemaal luchtwegaandoeningen. Of dat nou ligt aan die vennen, ik weet het niet. De damp stond soms zo hoog boven die weilanden. Toen zijn we weer naar Den Haag teruggegaan. Daar zijn we weer opgeknapt. Maar ik vond het wel jammer en voor de kinderen was het heel vervelend.

Rond mijn veertigste heb ik mijn studie weer opgepakt, maar heb ik gemerkt dat die studie heel erg statistisch was geworden. Ik vond het echt stomvervelend. Ik dacht, ik ga eerst mijn keuzevakken doen. Als keuzevak heb ik Indonesisch genomen en kunstgeschiedenis van Zuidoost Azië. Ik was inmiddels naar Indonesië geweest. En toen ben ik op die faculteit jaren blijven hangen. Ik heb daar wel tentamens gedaan, maar ik kon daar niet afstuderen want dan moest ik ook Javaans doen. Dat werd me gewoon een beetje te veel.

Ik nam het ook niet zo nauw. Er waren veel vrouwen die dat wel deden omdat ze niet hadden mogen studeren en nu de kans zagen om het te kunnen doen. Daar deden ze dan later ook niets meer mee. Maar aangezien ik niet zo gezond was en toch niet kon werken, dacht ik waarom zou ik het per se afmaken. Ik doe dingen die ik leuk vind. Ik heb dat jaren gedaan; het was een ontzettend leuke groep. Ik ben wat losse vakken gaan doen, en heb gewoon een heel leuke tijd gehad. Een diploma heb ik niet meer gehaald.

Ik heb uit mijn leven gehaald wat erin zat, ondanks dat ik eigenlijk continu een slechte gezondheid had. Als ik terugkijk denk ik, hoe is het mogelijk dat je met zo’n slechte gezondheid toch zoveel kan? Als iets niet meer kon, begon ik iets nieuws . Mijn man was 43 toen hij overleed en ik bleef zitten met twee tieners in een huis dat nog niet helemaal af was. Ik ging er in inkomen heel erg op achteruit. Maar goed, ik heb mensen in huis gehad en mijn oudste zoon heeft met zijn vriendin nog een tijd thuis gewoond. Best wel een leuke tijd. Wij zijn de generatie die het slecht hebben gehad tijdens de oorlog, maar die toch met tevredenheid op onze jeugd terugkijkt. Wij kregen het steeds beter, maar de jeugd van nu moet er aan wennen dat het steeds slechter gaat.

*** 

Mail ons: info@toenik21was.nl

Copyright @ Alle beelden en teksten zijn, tenzij anders vermeld, het eigendom van Kim Koops en Esther Ladiges en mogen niet zonder hun toestemming gebruikt worden.