Annie de Vries

Moedig doorgaan

Foto: Het Utrechts Archief

Toen ik 21 was werkte ik in de winkel van de coöperatie. Haka heette het vroeger. Er was een manufacturenzaak en boven was er een toonkamer. Er werden allemaal huishoudelijke spullen verkocht: servies en kachels, maar ook fietsen. Ik stond in de kruidenierswinkel van negen uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. Toen ik een jaar later trouwde,  zei de directeur ‘Annie, je kunt dus niet meer blijven werken hè, want je weet wel hoe dat gaat met die jonge vrouwtjes’. Ik zei ‘Nee hoor, dat weet ik niet.’ Ik deed heel onnozel, maar ik wist wel dat hij bedoelde dat getrouwde vrouwen snel zwanger zouden raken en niet meer achter de toonbank konden werken. Nou, toen werd ik ontslagen, dat gebeurde met alle getrouwde vrouwen. Ik vond het zonde, want ik kon het geld goed gebruiken, en mijn man was ook de hele week weg dus ik vond het fijn om iets te doen te hebben.


Annie de Vries (uiterst links) tijdens de oorlog. ©Toenik21was

Thuis in Delft


Ik ben in Delft geboren en mijn man ook. Ik kom uit een leuk gezin met vier zusjes.  Het was een arbeidersgezin; mijn ouders waren sociaaldemocraten. Mijn vader was huisschilder en hij was actief in de schildersvakbond. We hadden een huis van de sociale woningbouw,  een heel lief huisje. Daar was mijn moeder heel blij mee. Ik was als jong meisje onbezorgd, vrolijk, zorgeloos.

Toen ik 16, 17 was, werd ik lid van de de Jeugdbond voor Onthouding (JVO), een sociaaldemocratische jeugdorganisatie. Ik was dus geheelonthoudster. Nu niet meer hoor, haha. Ik ben niet echt een drinker, maar ik vind een glaasje wijn bij het eten met de kinderen wel gezellig.

Het was een grote organisatie. Ik maakte kennis met iemand die bij erbij zat en die vroeg of we mee wilden doen. Mijn moeder vond het heel leuk voor ons, dan hadden we wat afleiding en er gebeurde nog eens wat. We maakten heerlijke wandelingen en mooie fietstochten en hielden boekbesprekingen. Ik ben zelfs nog secretaresse geweest. We moesten ook colporteren met het krantje, maar dat laatste heb ik nooit leuk gevonden. Ik heb er hele leuke vrienden en vriendinnen aan overgehouden.


Mijn vader was ziekelijk en kon niet werken. We kregen voor de twee kleintjes 17 gulden in de week, geloof ik, of in de maand. Dat was dus te weinig om van rond te komen, dus moeder ging uit werken. Maar ik merkte thuis niets van de crisis. Moeder is altijd opgewerkt gebleven. Ze zag er altijd keurig uit, was gezellig thuis, warm. Je was altijd welkom als je van je werk kwam. We hebben een heel goed thuis gehad. Ik ben pas nog in Delft geweest. Ik werd 93 en wilde toch nog wel graag mijn stadje zien.


Mijn vader overleed toen hij 42 was, tijdens de oorlog. Dat vond ik verschrikkelijk. Ik was nogal een vaderskindje en kon goed met hem opschieten, dus ik moest huilen. Maar van mijn zusje mocht dat niet, ‘Denk aan moeder’, zei ze dan. We moesten ons groot houden. Toen vader begraven werd, kwam er een zwarte koets met zwarte paarden. Alles zwart, zwart, zwart. Er werd mooi gesproken omdat hij vakbondsman was. Omdat mijn vader ziek was, moest er door ons geld verdiend worden, dus gingen mijn zusjes en ik werken. Alleen mijn jongste zus kon doorleren. Zij heeft de MULO afgemaakt en is toen ook gaan werken. Ik begon met werken toen ik 14 was, daarvoor heb ik nog de huishoudschool gedaan. Ik was gek op kinderen en ik wilde kinderverzorgster worden, maar daarvoor moest je een cursus volgen en dat konden we niet betalen. Ik reageerde op advertenties in de krant van mensen die op zoek waren naar een dienstbode. De eerste mevrouw die me ontving vond me een beetje te klein. Maar ja, daarom kan ik nog wel werken, dacht ik.

"Ik begon met werken toen ik 14 was"

Eigenlijk was het in de hele buurt zo: meisjes en jongens gingen allemaal werken. Er was helemaal geen sprake van dat je door zou leren. Naderhand ging ik wel denken: toen mijn kinderen 14 waren… Je moet er toch niet aan denken dat ze toen al hadden moeten werken? Ik werkte eerst in de huishouding, en naderhand in de winkel. Mijn ene zus werd kostuumnaaister, die ging bij een kleermaker werken. Mijn andere zus ging net als ik in de winkel van de Coöperatie werken. En mijn jongste zus ging laboratoriumwerk doen in de Gist- en spiritusfabriek. Toen wij allemaal verdienden ging het langzaamaan wat beter bij ons thuis.

Dienstmeisje


In het eerste gezin waar ik een dienstje had, voelde ik me helemaal geen dienstmeisje want ik werd overal bij betrokken. De vrouw des huizes had een baby gekregen. Ik mocht met het kindje gaan wandelen en ik ging met die mevrouw naar de markt. Voor mijn verjaardag maakte ze een heel mooi pakje voor me. En ik at gewoon mee aan tafel. Ik had het er erg naar mijn zin en weet eigenlijk niet waarom ik daar weggegaan ben. Ik verdiende maar twee gulden, misschien was dat het. Bij mijn tweede dienstje was het verschrikkelijk. Ik werd daar wel als dienstmeisje behandeld. Ik kreeg mijn kopje chocola in de keuken. En dan zat ik op zo’n hele rechte stoel met mijn voetjes op de sporten en mevrouw zat binnen koffie te drinken. Nee, het was echt een rotbaan.

"Een weekkaart voor de tram kostte 45 cent, maar dat hadden we soms niet eens"

Daarna ben ik in Den Haag gaan werken, in een gezin met twee jonge kinderen, waarvan het meisje half verlamd was. Daar was ik erg van onder de indruk. Ik was daar hoofdzakelijk voor de kinderen. Dan ging ik mee het jongetje naar school brengen en ik ging met het meisje spelen en wandelen. Maar er werden ook wel karweitjes aan me opgedragen hoor. Ze hadden twee winkels; een sigarenwinkel en een banketbakkerswinkel. Ik maakte daar de automaten  schoon, dweilde,  zeemde de ramen en paste op de kindertjes. Er was altijd wel iets te doen. Ik werkte daar van 9 tot 5, dus je kan niet de hele dag alleen maar met de kindjes spelen. Maar ik heb dat meisje wel leren praten. Ik begon met het vertellen van een verhaaltje en dan maakte ze het zelf af.

Ik ging er met de tram of met de fiets heen. Het beroerde was alleen dat er niet altijd geld voor de tram was. En weet je, zo’n weekkaart kostte maar 45 cent, maar dat kon mijn moeder soms niet eens missen. Dan moest ik op de fiets  langs de Schie. Ik weet nog dat het een keer vroor en toen belde ik onderweg  bij een kennisje aan, want ik had het vreselijk koud. Die mevrouw heeft toen allemaal kranten tussen mijn goed gedaan voor de kou, zo erg was het. Het was niet altijd leuk hoor!


Ik kwam toen mijn toekomstige man nog wel eens tegen, want die werkte ook in Den Haag, bij Rijkswaterstaat. Al wist ik toen natuurlijk nog niet dat het mijn man zou worden. Toen ik hem leerde kennen was ik twaalf en hij achttien. Een vriend van hem was schildersgezel bij mijn vader. Hij woonde bij ons, en via hem heb ik mijn man leren kennen. Via hen ben ik ook bij de JVO terechtgekomen. Maar toen zag ik hem als een grote man. Op die leeftijd is zes jaar een heel groot verschil hè. Naderhand zie je het niet meer hoor.


Hoe we uiteindelijk verkering kregen? Het is wel leuk gegaan. Hij was een hele tijd niet meer bij ons geweest, ik kwam hem alleen in de tram in Den Haag nog wel eens tegen. Tot mijn zusje hem een keer in onze straat tegenkwam. Ze riep ‘Hee, wanneer kom je weer eens, we hebben je helemaal niet meer gezien!’ En toen is hij langsgekomen. Hij was al verloofd. Ik was ook al vier jaar verloofd, maar ik had het niet meer zo naar mijn zin en wilde het voorzichtig uitmaken. Even een paar weken elkaar niet zien. In de tussentijd kwam Aat aan de deur. Ik vond hem zo aardig. De eerste keer dat hij weer bij ons thuis kwam zijn we ‘s avonds ijsjes gaan eten. We hadden zeven maanden verkering toen we besloten te trouwen. Mijn jongste zusje vroeg of we ons niet eerst moesten verloven, want dat hoorde toen zo: eerst verloven en sparen en een linnenkast vol en zo. Nou, dat hadden we dus niet. Mijn moeder zei ‘dat heeft ze al een keer eerder gedaan’.

Een jong gezin in oorlogstijd


In 1943 zijn we getrouwd. Ja, dat was eigenlijk best heftig, midden in de oorlog.  Maar het was een gezellig gebeuren hoor. Mijn zusje was kostuumnaaister en die heeft me helemaal netjes aangekleed. Een winterjas had ze helemaal gekeerd. Een konijnenbontje erop en een bosje fresia’s. En van een zomerjas had ze een hele mooie jurk gemaakt met geweven figuurtjes. Wij zijn in Delft getrouwd, lopend naar het oude stadhuis met een hele optocht achter ons, alle familie.  Na afloop had mijn moeder nog voor een etentje gezorgd. Dat was toen al heel erg moeilijk, hoe ze het voor elkaar gekregen heeft weet ik niet.


Ik kreeg mooie cadeaus joh, alles heel toepasselijk. Mijn aanstaande schoonmoeder had enorm gehamsterd en had een mooie linnenkast vol, dus ik kreeg prachtige handdoeken. Ik had ze nog nooit zo mooi gekregen. Ik kreeg ook bestek, maar dat was maar voor twee personen. Dus bezoek moest altijd bestek meenemen, maar als ze dat vergaten moest de een met een lepel eten en de ander met een vork, haha!.


We hebben een moeilijke start gemaakt, het is toch best wat om in 1943 te trouwen. We hadden geen huis, dus we woonden bij moeder. We mochten boven een kamer een beetje inrichten. Mijn man werkte in Utrecht (het ministerie was door de Duitsers naar Utrecht verplaatst) en hij was daar in de kost. In het weekend kwam hij even thuis. Maar op een dag stuurde hij een brief: ‘Je moet maar eens naar Utrecht komen, want ik mag een huis uitkiezen en dat vind ik te moeilijk.’ Rijkswaterstaat gaf ons drie huizen om uit te kiezen, wat eigenlijk heel wonderlijk was want er was woningnood en wij woonde om die reden bij mijn moeder in, en toen kregen we opeens een huis. Ik ging kijken, en na het eerste huis hoefde ik geen ander huis meer te zien. Het was in de Zuilenstraat op de hoek van de Nieuwegracht. Zo’n mooi oud pand, het staat nu onder Monumentenzorg.

"Mijn kindje was geboren in juni ’44 en ze stierf aan het eind van de Hongerwinter"

Daar zijn mijn eerste vier kinderen geboren. Het was eigenlijk niet de bedoeling dat we gelijk na ons huwelijk aan kindjes zouden beginnen, daar was ook geen tijd voor. Maar ja, de tijd van de pil was er nog lang niet. Toen de pil werd geïntroduceerd had ik inmiddels zes kinderen. De man van de supermarkt tegenover ons had negen kinderen. Hij kwam toen bij ons aan de deur met zijn melkkar en zei ‘Mevrouw De Vries, die pil is voor ons te laat hè!’


Mijn eerste kindje Anne Marieke is in de oorlog overleden. Dat is het ergste wat je kan gebeuren. De wereld staat stil. Ik had het kindje vijf maanden zelf gevoed, en daarna mocht ze voedsel hebben. Ik heb opgeschreven wat ze mocht hebben en wat er allemaal niet was aan eten. Dat is een halve bladzijde hoor, dat is heel heftig. Ik was ten einde raad, want ze werd ziek van het eten dat ze niet kon verdragen. Ik kon haar niet eens een warm badje geven. We gingen met haar naar de huisarts, en die stuurde haar door naar het ziekenhuis. Maar daar was geen plaats, dus kregen we het zieke kind weer mee naar huis. Maar het werd steeds erger, dus heb ik de dokter weer gebeld. Maar er was geen box vrij, dus stond ze in het ziekenhuis in de badkamer. Daarna gingen we en dan stond ze in zo’n isoleerbox. Ze was in juni 1944 geboren, en aan het begin van de Hongerwinter stierf ze. Als ze later ziek was geworden hadden we haar misschien nog kunnen helpen.


Toen ze was overleden kon ik mijn moeder niet bereiken in Delft; we konden niet telefoneren. Er was een politiebureau in de Zuilenstraat, en daar hebben ze naar Delft gebeld. Mijn moeder begreep er niets van. Ze is uit Delft komen lopen, met mijn zusje. Dat verdriet gaat nooit over, nee, echt niet. Al krijg je daarna nog tien kinderen. En bij de andere kinderen blijft het ook. Bij de dodenherdenking legden we altijd een bloemetje voor haar neer. Toen dat niet meer ging deed mijn zoon het. Hij belde me op toen hij het voor het eerst had gedaan en hij zei ‘Anne Marieke is een engeltje nu hoor, Annie.’ Dat vond ik zo mooi.

"Bij de gaarkeuken zagen we een man uit zijn pet eten"

We hadden niet alle middelen tijdens de oorlog, je kon ook niets kopen hè. Tegenover ons huis stond een weeshuis, een heel groot pand. Daar werd in de oorlog wel eens eten uitgedeeld en dan zaten er mensen op de stoep te wachten. Er was een man die had geen bord bij zich, die gaf zijn pet. En die zat zo uit zijn pet te eten. Hartverscheurend was dat. Bij ons hebben ze ook wel een pannetje pap gebracht. Bij de gaarkeuken ben ik één keer geweest, daar was het allemaal watersoep, pff.

Ik heb nog een kasboekje en een dagboek van het eerste jaar dat we getrouwd waren. Het was mijn mans idee, maar ik schreef het op want ik ging over de portemonnee. Als je ziet om wat voor bedragen het gaat: nu is het niets meer waard. Mijn man verdiende toen 109 gulden in de maand en dat vond ik veel. Als je mijn dagboek leest had ik een dagtaak aan het bij elkaar scharrelen van levensmiddelen. Het was vreselijk. We hadden geen zeep om onszelf te wassen, geen warm water. Ik weet nog dat ik een hele grote keuken had, daar in de Zuilenstraat. Helemaal betegeld, mooi glas in lood, prachtig. Koperen knoppen en zo’n hele lange gootsteen. Daar stonden we ons dan met zijn tweeën met koud water te wassen. Zo’n klein matje lag ervoor.

"Ik kon nergens met mijn voedselbonnen terecht"

Je had overal bonnen voor nodig. Ik was net uit Delft naar Utrecht verhuisd en was nog nergens klant. Dus ik ga met mijn bonnetjes naar de groenteboer. ‘Mevrouw, u bent hier geen klant.’ Ik zeg nee, maar ik ben hier net komen wonen. ‘Maar u moet echt klant zijn.’ Nou. Daar tegenover was een kaaswinkel, ik met mijn bonnetjes naar de kaaswinkel. ‘Nee mevrouw, u bent hier geen klant’, dat was de tweede. Toen moest ik naar een kruidenierswinkel, daar was ik ook geen klant. En toen ging ik nog een keer naar die groentewinkel en gezegd: alstublieft, alstublieft, alstublieft! En toen begon ik te huilen, want ik was echt wanhopig. En toen heeft ze me toch geholpen. Ja, dan moet je eerst gaan staan janken, denk ik. Die mensen hadden ook niet genoeg voor al die bonnen. Maar ja, dat huilen gaf toch de doorslag. Daarom ben ik bij die kruidenier klant gebleven, ook toen ik verhuisd was naar een andere buurt. Dan ben je toch dankbaar .


In de oorlog was mijn man ondergronds bij de vakbeweging gaan werken. Ik wist helemaal niet dat hij bij de ondergrondse zat. Hij had een hele grote landkaart op de muur gehangen en er vlaggetjes opgezet. Wat dat betekende, dat wist ik niet. In onze buurt woonden allemaal mensen die veel meer geld hadden dan wij. En die kwamen een paar keer in de week bij elkaar, om over de oorlog te praten. Ik heb er nooit bij gezeten, dat was ingewikkeld gedoe. Maar dat was na de oorlog opeens afgelopen. Nou, dan weet je het wel hè.

"Ik heb onbewust meegewerkt met de ondergrondse"

Hij heeft er nooit iets over verteld en dat is maar goed ook. Wat je niet weet… Maar ik heb er wel onbewust aan meegewerkt. Op een gegeven moment werd er bij ons een rond pakje, dat was het meestal, met bruin pakpapier gebracht, met een code. Dat pakje moest ik dan afgeven als iemand aan de deur kwam en die code noemde. Nou, dat pakje heb ik afgegeven, en daarna nog eens een keer. Ik begreep er niets van, maar ik heb het gewoon gedaan . Ik heb er niet bij stilgestaan. En toen kwam er een keer een pakje, en dat was voor mij. Ik maakte het open en er zaten twee mooie kaarsen in en vlees. Moet je nagaan, vlees, we hadden niets meer te eten. We hadden ook geen elektriciteit meer, dus twee mooie kaarsen waren heel wat waard. Ik denk ‘waar ik dat nou aan verdiend heb’. Ik vond het wel fijn, maar had wel willen weten waarom ik die pakjes moest rondbrengen. Maar ja, dat is het ondergrondse gebeuren, dat moet je ook niet weten. Dat denk ik achteraf.


Aan de Arbeitseinsatz is mijn man ontkomen door onder te duiken. Er waren razzia’s, jonge mensen moesten zich melden, maar hij was met collega’s aardappelen rooien. Het personeel had met elkaar een stukje land gepacht, en daar hadden ze aardappelen gepoot, en daar was hij toen de razzia’s begonnen. Toen kwam er bij mij een vrouw (van de ondergrondse, zo bleek achteraf ) en die zei ‘Ik heb een telefoontje gekregen en de mannen komen niet thuis hoor. Ze blijven daar tot het rustig wordt.’ Ik was blij dat ik dat wist, anders had ik misschien gedacht dat hij gepakt was.

Tijdens die razzia kwam er een hele jonge Duitser bij mij aan de deur. Ik vertelde hem dat mijn man voedsel aan het halen was. Mijn kindje lag te slapen in de kamer en ik vroeg of hij  zachtjes wilde doen. Nou, hij liep op zijn tenen. Maar als je andere verhalen hoort van wat er gebeurde met die razzia’s…


Toen mijn man moest onderduiken heeft hij een tijdje een andere baan gehad. Bij Rijkswaterstaat moest hij weg omdat hij gezocht werd, en daar zouden ze hem makkelijk kunnen vinden. Hij moest melkmonsters naar een laboratorium brengen en verder hoefde hij er niets mee te doen. Hij fietste gewoon naar dat werk toe. Ik snap ook niet hoe dat kan hoor, want hij zat ondergedoken. Nou ja, ik hoef ook niet alles te weten. Hij verdiende gewoon zijn salaris. En hij was veilig.

"Iedereen was na de bevrijding op de been:

mager, slecht gekleed, maar vrij"

Op 6 november 1944 bombardeerden de Engelsen voor de derde keer het station van Utrecht. Toen het luchtalarm afging ben ik met Anne Marieke en een heel oude dame die boven ons woonde gaan schuilen in die kelders aan de gracht. Ik had een binnendoordeur, dus ik kon ook naar de kelder. Je had eerst nog het souterrain en dan de kolenkelder en dan nog een luik, en dan de kelder die op de gracht uitkomt. En daar hebben we gestaan: die oude oma en ik met het kindje op mijn arm. En iedere keer schrikken als er een bom neerkwam, het was vlakbij hè. Achteraf hoorde ik dat ze het station gemist hadden en dat er een bom op de psychiatrisch-neurologische kliniek, van het stads- en academisch ziekenhuis , in de Nicolaas Beetsstraat terecht was gekomen.


Over de bevrijding heb ik wat opgeschreven: ‘Op de dag van de bevrijding. Een zonnige dag en uitzinnige mensen. Iedereen was op de been. Mager, slecht gekleed, maar vrij. Ik loop met mijn man over de Singel, die prachtig in lentetooi is. Door de Singelgracht varen kano’s, er komt een doedelzakorkest aan, vrolijke knapen. Blijde mensen, vaders met kinderen op de schouders lopen mee. Dat was een vreugdevolle dag, maar toch.’


Toen we van de bevrijding hoorden, zijn we gelijk de straat opgegaan Bij het stadhuis aangekomen zongen we uit volle borst het Wilhelmus. [het emotioneert haar] Het was, ik kan het moeilijk uitleggen. Het is zo dubbel. Je bent eindelijk vrij, maar er was ook zo veel pijn omdat we ons kindje aan die oorlog waren verloren.

Anticommunisme


Na de oorlog heb ik zes kinderen gekregen. Ik was in die tijd actief in het buurthuis in en ik heb cursussen gevolgd: Engels, creatief schrijven en administratie thuis. Mijn man is in Amsterdam gaan werken bij de Bond voor Nederlands Overheidspersoneel. Naderhand werd het de Eenheids Vakcentrale, een steeds linkser wordende vakbond. Daar is hij heel actief in geweest. Een van die mannen die tijdens de oorlog bij ons thuis kwam, wilde na de oorlog helemaal geen contact meer, omdat mijn man De Waarheid las. Maar hij woonde boven ons dus we kwamen hem alsnog elke dag tegen.


Dat wij communistisch waren was geen geheim. Er kwam een jongetje van het koor van de parochie tegenover ons huis bij ons op het op het hekje geklommen. Die keek de kamer in en zei ‘Oh, een gewone kamer met een baby’tje in een box’. Ik dacht, wat wordt die kinderen wijs gemaakt. En toen gingen ze steentjes gooien. Ik werd zo kwaad. Ik ben zo met mijn schortje aan naar dat parochiehuis gelopen en heb gezegd dat je kinderen daar niet mee kan confronteren omdat ze gewoon niet weten waar het over gaat. Ik was zo kwaad. Eenmaal thuis bekoelde de woede en hoorde ik een van de jongetjes zeggen ‘Je mag het niet meer doen hoor’. Moet je nagaan hoe anticommunistisch de sfeer zo vlak na de oorlog al was. Hoe de mensen reageerden als ze hoorden dat je communist was! Ik praat er nooit over, als ze het niet vragen, zeg ik het niet. Maar ik wil eerlijk tegen jullie zijn. Dat je het niet naderhand van een ander hoort, weet je wel.


Mijn man was veel weg, want hij had congressen en moest veel vergaderen. Na de vakbeweging is hij lid geworden van de CPN. Hij heeft in de gemeenteraad gezeten en in de provinciale staten van Utrecht. Na de Hongaarse Opstand van 1956 heeft hij er in 1958 een punt achter gezet. Dat was geen leuke tijd, de Koude Oorlog.


Er wordt zo verschillend op gereageerd. Toen mijn man in de gemeenteraad zat heeft hij veel mensen kunnen helpen met sociale problemen. Bijna elke avond kwam er wel iemand langs. Dan werd de typemachine gepakt en werden er hele brieven geschreven. Dat ging van hulp met de belasting tot bezwaarschiften, tot hulp bij vervelende woonsituaties. Mensen zeiden wel eens tegen me ‘Als uw man niet geholpen had… Ik zat in de hel, maar door hem ben ik in de hemel terecht gekomen. Ik wil hem iets moois geven.’ Een kleermaker wilde hem bijvoorbeeld een pak aanmeten. Maar hij wilde niets aannemen. Hij wilde zijn handen schoonhouden. Hij stond in de buurt waar we woonden heel hoog aangeschreven. Onze buurman was politieman, en die zei ‘als alle communisten waren zoals uw man, dan zou ik gelijk meedoen’. Mijn man werkte ook samen met de directeur van het huisvestingsbureau, want veel mensen hadden ellendige huisvesting. Hij werkte dag en nacht. Als we zaten te eten werd hij wel eens gebeld. Hij had ook gewoon een spreekuur, maar ze dachten, met eten is hij altijd thuis.

"Een groep studenten gooiden onze ruiten in"

Ik wil jullie toch het verhaal vertellen van 1956. Het was tijdens de Hongaarse Opstand en mijn man was gemeenteraadslid voor de communistische partij in Utrecht. Op een avond was hij weg voor een vergadering. Er kwam een groep studenten aan die een licht op onze flat schenen en stenen gooiden. Eerst raakte ze de ramen van de onderburen, daarvoor werd nog met de pet rondgegaan, want dat was niet de bedoeling. Het was de bedoeling om ons huis te raken. Ik was alleen thuis met drie van mijn kinderen. De oudste twee waren bij de buren en de jongste lag in het ziekenhuis. Het regende stenen in de huiskamer en de slaapkamers. De kinderen waren zo bang dat ze in ons bed waren gekropen. Het was echt een stenenregen, waardoor er overal in het huis glas lag. De ramen werden niet door de verzekering betaald, dus deze moesten worden dichtgetimmerd. Toen hebben we een tijdje bij mijn moeder in huis gezeten.


Uiteindelijk is mijn man met zijn werk gestopt. Mensen spraken altijd kwaad over communisten, maar het waren hardwerkende en nette mensen. Ik ben altijd wel links gebleven, net als mijn ouders. Ik stem nu ook links. Dat verloochen je niet hè. Het lijkt wel of dat aangeboren is. Ik heb de angst voor sociale controle en dat mensen kwaad over me zullen spreken altijd bij me gehouden. Want wat maakt het uit? Ik vraag aan jou toch ook niet of je dit of dat bent? Dat gaat niemand iets aan. Ons leven was niet altijd makkelijk, maar we zijn er niet neerslachtig door geworden. Wat kan een mens sterk zijn, wat kan een mens ontzettend sterk zijn. We hielden heel erg veel van elkaar, dat is nooit overgegaan.

Actief gebleven


Mijn man was niet de enige die politiek betrokken was, ik was actief in de vredesbeweging. Ik zat in de landelijke werkgroep met allerlei richtingen van Vrouwen voor Vrede: Pax Christi, Vrouwen in de PvdA. Dat was in de periode van de beweging tegen de neutronenbom. Ik heb het pamfletje nog. We zijn met enorme demonstraties naar Den Haag geweest. En we hadden ‘Vrouwen op de been’ een stille tocht voor de dwaze moeders in Argentinië. In een grote stoet naar de kerk en dan hadden we allemaal een hoofddoekje om. Ik heb het hoofddoekje nog, waar de naam op staat van die vrouwen. Het was heel indrukwekkend.


Ik heb geen saai leven gehad, en ik ben nu nog steeds actief. Ik schrijf gedichtjes en maak herinneringsboeken. Ik ga nu een middagje sjoelen en zit op het zangkoor. Ik ben twee jaar een beetje uitgeschakeld geweest, maar kan nu weer zelf mijn boodschappen doen. Ik vind het leuk om met Facebook mee te doen en ik kan ook mailtjes ontvangen. Nee, ik schuw nieuwe dingen niet en dat wil ik ook echt niet. Als ik goed kan blijven zien wil ik er ook mee door gaan.

Ik ben er trots op dat ik niet aan de nare dingen onderdoor gegaan ben. Want het is best wel eens heftig geweest. En ook mensen waren niet altijd even aardig naar ons toe. Maar we hebben nooit iets gedaan dat gemeen was of oneerlijk. Nooit iemand een cent te kort gedaan. En we hebben goed voor de kinderen gezorgd, hebben allemaal hun schoolopleiding gekregen. Daar heb ik een goed gevoel over. Dat ik niet neerslachtig ben geworden.

***

Mail ons: info@toenik21was.nl

Copyright @ Alle beelden en teksten zijn, tenzij anders vermeld, het eigendom van Kim Koops en Esther Ladiges en mogen niet zonder hun toestemming gebruikt worden.