Mevr Guitink

Op de vlucht

Foto: Het Stadsarchief Amsterdam

Toen ik 21 was woonde ik illegaal in Nederland. In 1947 is ons hele gezin opgepakt en naar Duitsland gedeporteerd. Mijn vader was Duits, en dat betekende dat ik ook Duits was. Van de Nederlandse regering moesten alle Rijksduitsers Nederland verlaten. Maar ik hield het in Duitsland niet vol en ben alleen terug gegaan. Om rond te komen werkte ik bij verschillende mensen in de huishouding en paste op. Ik woonde in een pension en sliep op een inklapbedje bij iemand op de kamer. Ik bediende het hele huis en at zelf ook daar. Eerst het ontbijt rondbrengen, dan opruimen, dan bracht ik thee rond. Ik was daarna de hele dag bezig met al mijn baantjes, en liep heel Amsterdam af. Ik was altijd heel verzorgd, sportief, goed bij de tijd. Ik was heel serieus, en alert, maar vrij angstig. Omdat ik hier zwart was, was ik heel kwetsbaar. Ik denk dat ik erg bewust leefde en ik was een doorzetter.


Duitse wortels


Mijn vader was katholiek. Hij was Schneider, kleermaker, van beroep en hij wilde Schneidermeister worden. Hij was lid van een Junggesellenverein dat zich met mode bezighield en daar kreeg hij een opleiding. De groep trok van plaats tot plaats en van land tot land. In Nederland is hij bevriend geraakt met de ouders van mijn moeder en zo hebben mijn ouders elkaar leren kennen.

Ik ben in Amsterdam geboren. Als kind speelde ik veel in het Vondelpark met alle kinderen uit de buurt. Hutten maken, de hele dag buiten. En er was een huisje waar je voor een dubbeltje een boek kon huren en dan kon je daar gaan zitten lezen. En er was een pindamannetje, daar kon je voor vijf cent pinda’s kopen. Mijn moeder zei dat ik het niet mocht omdat hij het trommeltje ’s nachts onder zijn bed legde. Maar eigenlijk hadden we gewoon geen geld. Toen ik ouder was ging ik iedere dag zwemmen. Ik heb machinenaaien van mijn vader geleerd.  Mijn moeder was niet zo handig, dus ik moest van mijn vader de dingen doen die zijn vrouw niet deed. Ik ging als enige iedere zondagochtend naar de Duitse kerk, en heb daar mijn communie gedaan. Ik moest het niet, dat wilde ik zelf. Ik denk dat ik door mijn vaders Duitse bloed een stukje Duits heb meegekregen, de discipline. Mijn vader was niet streng, maar wel gedisciplineerd, en mijn ouders hadden een rotsvast vertrouwen in de kinderen. Het was een regelmatig leven.

"Op de dag dat de oorlog uitbrak

zei mijn vader dat we niet op straat mochten

omdat we Duits waren"


Op de dag dat de oorlog uitbrak zei mijn vader dat we niet op straat mochten omdat we Duits waren. We wisten nauwelijks dat we Duits waren, maar de vader was beslissend voor de nationaliteit van de kinderen. Ik heb tot mijn huwelijk nooit een Nederlands paspoort gehad. Op 10 mei 1940 werd ik twaalf jaar. Ik moest meteen van de Hollandse school af en naar de Duitse school.  Dat vond ik een verschrikking. Ik wist helemaal niet wat voor school het was en ik sprak de taal niet. Toevallig had ik aanleg en binnen twee maanden had ik met bijlessen Duits leren spreken. Dus ik kon meedoen, wat heel belangrijk voor mij was. Daardoor heb ik het later erg fijn gevonden. Als je als vreemde daar komt en je spreekt de taal niet, dan ben je een outsider. Ik spreek het nu vloeiend. Ook kreeg ik Nederlands en Engels, allemaal op HBS-niveau. Ik heb er later veel plezier van gehad.

 

In juli 1944 kreeg mijn vader een oproep om in Duitse dienst te gaan. Dat wilde hij niet. Hij ging toen met spullen en al naar mijn opa en oma in Soestdijk en is daar bij de ondergrondse gegaan. Wij dachten dat we gewoon in ons huis konden blijven, dom. De Feldgendarmerie, de ergste groep, kwam een huiszoeking doen naar mijn vader. Twee weken later kregen we een brief dat mijn broer van 17 zich ook moest melden bij de Ortskommandantur. Ook hij is naar Soestdijk gegaan en wij gingen mee, om onder te duiken. Er was daar een ontzettend uitgebreide ondergrondse beweging. Het was alsof ze zich als een blok tegen de Duitsers keerden. Het was onvoorstelbaar goed georganiseerd; we kregen bonnen, valse kaarten, een schuilnaam, in een mum van tijd.


We zijn allemaal de oorlog doorgekomen en teruggegaan naar ons eigen huis. Toen we een week terug waren, in augustus 1945, kwamen de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). We moesten even mee, want ze wilden graag de boel controleren. We zijn nooit meer in dat huis teruggekomen. In een hele vieze overval-auto met een ketting in het midden om ons aan vast te houden zijn we door de hele stad gereden naar een kamp op de Levantkade. Daar zat een vak voor geïnterneerden zoals wij, en voor gedetineerden, zoals NSB’ers. Het was één zootje.

 

We werden los van elkaar vrijgelaten en door de BS naar mijn oom en tante gebracht. Opa en oma namen het jongste broertje. Mijn vader en moeder kwamen voor het tribunaal en zijn ook weer vrijgelaten. Toen moesten we een woning gaan zoeken, want ons huis was in beslag genomen. We vonden een kamertje waar we met zijn allen in konden wonen. Het was een hok, maar we hadden tenminste een dak boven ons hoofd. Er stonden veel woningen van NSB’ers leeg en in april 1946 kregen we de helft van een NSB-woning. We gingen werk zoeken en we dachten, we komen er wel weer bovenop met z’n zessen. Ik heb een hele leuke baan gekregen bij een chique lingeriezaak. Er werd een receptioniste gevraagd, en ik heb een cursus gevolgd zodat ik ook dingen aan kon meten. Dat naai- en coupeusegebeuren zat toch een beetje in me. Mijn vader werkte ook weer als coupeur, en mijn broers hadden een baan.


Opgepakt en uitgezet


Alles werkte, we hadden alles weer op de rit en op een ochtend om zes uur wordt er gebeld: daar kwam de vreemdelingenpolitie. Ze wilden toch alle de Rijksduitsers controleren. Afijn, we zijn naar het hoofdbureau van de politie gebracht. Daar hebben we vier dagen in een cel gezeten. Mijn moeder en ik in een eenpersoonscel, mijn vader en jongste broertje in een eenpersoonscel, en mijn twee andere broers in een eenpersoonscel. Daar moesten we vier dagen wachten op transport naar Kamp Mariënbosch bij Nijmegen. Toen wisten we dat we uitgezet zouden worden. In oktober gingen we met overvalauto’s naar een kamp in Lüstringen nabij Osnabrück. Daar zaten we met twee families in een barak. Ons gedeelte was met een deken afgebakend. Het was een kamp voor ‘displaced persons’: een ratjetoe. We hadden kaarten met onze namen erop, dat was ons persoonsbewijs. De kleren die we aanhadden konden we zo uit elkaar trekken, verschoning had je niet.

 

Later zijn ze gestopt met het wegvoeren van die mensen, misschien toen ze de bij de achternamen met de letter K of L waren (wij waren G). Ik snap er niets van. Twee jaar na de bevrijding, dat hadden ze natuurlijk nooit moeten doen. Mijn vader woonde al 26 jaar in Nederland. Die mensen waren toch allemaal al een keer gescreend, direct na de oorlog? Het was een reactie op wat ze met de joodse mensen gedaan hebben, na de oorlog kwam je er pas achter wat er allemaal gebeurd was.


"Een mensensmokkelaar hielp ons over de grens

in ruil voor schoenen en een rok"

 

In december heb ik de benen genomen. Ik heb gezegd, ik blijf hier niet. Ik was inmiddels negentien jaar en kon bij wijze van spreken niet eens naar het toilet. Er waren latrines zonder deuren en daar stonden Polen, die ook opgepakt waren. Het was heel moeilijk om daar niet aangerand te worden. Dus ik zei tegen mijn ouders dat ik daar wegging. Ik moest tekenen dat ik vrijwillig het kamp verliet. Het kon me niets schelen. Het was in Duitsland chaos, helemaal platgebombardeerd, het was een ramp. Ik wist heg noch steg daar in die omgeving. Op het laatste moment ging mijn broertje mee. Ik had eindpunt opa en oma in Amsterdam, en mijn broer had eindpunt Deurne. We zijn met zijn tweeën maar in een trein gestapt. Ik heb me steeds afgevraagd waar die trein naartoe zou gaan. In de trein kwamen we een mensensmokkelaar tegen. Die heeft ons in ruil voor de schoenen van mijn broertje en een rok van mij geholpen met de grenst overgaan.

 

Bij Schinveld gingen we de grens over. We hebben uren gewacht tot de grensbewaking weg was en moesten het prikkeldraad overklimmen. Ik had verschrikkelijke pijn in mijn buik. In Schinveld was nog een garage open, daar zijn we naar binnen gegaan. Ik ging naar de WC en ik zag alleen maar bloed: ik had een abces in mijn dikke darm en dat was opengegaan. We vertelden  aan de garagehouder natuurlijk niet waar we vandaan kwamen, maar zeiden tegen hem dat we naar de kermis waren geweest, dat geloofde hij. Die garagehouder heeft mij meegenomen naar zijn huis. De volgende ochtend zijn we weer verder gegaan.


We kwamen uiteindelijk uit in Roermond. We stierven van de honger. Op een dag liepen we langs een bakker en ik zeg tegen mijn broertje: blijf hier staan, ik pak een brood uit de etalage. En dat hebben we gedaan. Toen hebben we in een portiek dat brood opgegeten. Toen zijn we maar gaan liften. Er is van alles gebeurd. We zijn de verkeerde kant op gelift, mensen vroegen waar we vandaan kwamen, wat zeg je dan? Omdat ik een meisje was kreeg ik last van kerels. Daar was ik niet van gediend.


Ik ben uiteindelijk in Zwolle terechtgekomen bij mensen die ik uit de oorlog kende. Daar gebeurde iets naars: die vrouw gaat een ochtend weg en die man heeft ineens het zonnescherm naar beneden gedaan: ‘dan kan ik beter overal bij’, zei hij. Ik ben ontsnapt en ben naar de snelweg toegegaan. Daar heb ik huilend een auto aangehouden en die man heeft me naar het station gebracht. Die is fruit gaan kopen en een tijdschrift. Hem heb ik verteld dat ik uit een kamp kwam, ik kon het niet langer voor me houden. Hij heeft me naar Amersfoort gebracht en een treinkaartje naar Amsterdam voor me gekocht. Heeft lief, die dingen vergeet je nooit. Van daaruit ben ik naar mijn grootouders gegaan.

Ik bestond niet meer


Nu was ik afgemeld in Nederland, en nooit aangemeld in Duitsland: ik bestond niet meer. Ik ben nog terug geweest bij mijn oude baan, maar zij konden me ook niet helpen omdat ik zwart in Nederland was. Ze moesten belasting voor me betalen. Ik kreeg een baantje waarbij ik vijf gulden per dag verdiende. Ik werkte me kapot, maar kreeg amper te eten. Maar als ik ’s middags een boterham wilde, was er niks. 

Het kon me niet meer schelen wat ik deed, ik heb van alles aangepakt. Tot ik de vrouw ging bezoeken van een jongen die ik kende uit Kamp Mariënbosch.  Ik moest daarheen gaan en zeggen dat hij het goed maakte. Bij die mensen heb ik een tijdje gewoond. Ik kreeg eten en zij zochten een baantje voor me.  Ik sliep in bed met de moeder van het vrouwtje. Ze hadden in een mum van tijd een baan voor me als schoonmaakster in een pension met vijf kamers. Het werd steeds een beetje beter voor me.


In september 1948 ben ik een duurder kamertje gaan huren. Het was daar zo koud dat ik ’s nachts onder de gordijnen sliep. Ik had niet eens een fatsoenlijk deken. Daar kreeg ik een migraineaanval, waarschijnlijk van alle spanningen. Het was zo erg dat ik het balkon over wilde. Maar ik dacht: ik heb zoveel meegemaakt, dit kan er ook nog wel bij. Daarna heb ik weer bij mensen ingewoond. In 1951 werd ik opgepakt. Ik was verlinkt door een vriendin, dat vertelden ze bij de vreemdelingenpolitie. Ik zat bij de baas op kantoor, en vroeg of hij echt niks voor mij kon doen. Hij zei: u bent helemaal niet aangemeld. Als er iets met u gebeurd, is er geen haan die ernaar kraait. Ik ben weer uitgezet en ben in Düsseldorf bij mijn broer gaan wonen.


Via mijn broer, die kleermaker was, ben ik modellenwerk gaan doen. Dat heb ik ongeveer een jaar gedaan. Het was voor Kunert, lingerie. Ik heb in mijn leven eigenlijk nooit ergens gesolliciteerd. Mensen vinden mij, dat is wel leuk.


"Ik was altijd bang om verlinkt te worden"

 

Met mijn broer was het heel leuk, maar ik had geen woning, geen vriendje, helemaal niets. Ik wilde geen Duitse man. Van mijn ouders was ik vervreemd geraakt. Een jaar later ben ik teruggegaan naar Amsterdam. Ik was inmiddels 24. Ik ben toen weer  bij opa en oma in gaan wonen. Maar dat was toch geen leven, bij zulke oude mensen. Toen ben ik bij andere kennissen in huis gaan wonen. Ze hadden een kindje en het voelde een beetje huiselijk. Ik hielp ze met het huishouden en met kerst heb ik eens een konijn voor ze gemaakt. Ik pakte in Nederland alles aan wat ik krijgen kon. Ik had een baantje ’s morgens, een baantje ’s middags en een oppasbaantje ’s avonds. Dan was ik kapot, maar dan had ik wel 150 gulden verdiend.


In de eerste periode dat ik zwart in Nederland was, zat ik als oppas bij schrijvers. Bij mijn laatste adres was het heel intensief. Mijn oppaskind begon echt een beetje als mijn kind te voelen. We hebben het heel leuk gehad. Het was overdag net alsof ik daar woonde. Ik was de hele dag alleen met dat kind. En we gingen bijvoorbeeld samen naar Bergen, naar een hotel. Zijn moeder was geen aardige vrouw. Kundig hoor, maar heel stug. Ze ging iedere avond lezingen houden in het land en het was de normaalste zaak dat ik oppaste.


"Als ik een vreemde man zag in de buurt van mijn kamertje, durfde ik de deur niet in"

 

Maar het is geen toekomst, dat oppassen. Ik was 24 en kreeg de leeftijd dat ik iets wilde opbouwen voor mezelf. Die mensen waar ik werkte waren zo lief voor me, maar ik dacht, ik zit ze zwaar te besodemieteren. Ik zei dat mijn ouders in Brabant woonden, ze moesten eens weten dat ze in Duitsland woonden! Er was niemand die mij kon helpen om van dat Duits af te komen, dat kon alleen maar door te trouwen. Ik heb het altijd heel gezellig gehad als ik bij mensen in huis woonde. Er moesten alleen geen mannen zijn. Want ik was bang dat ze iets van me wilden en dat ze me zouden verlinken als ik ze hun zin niet gaf. Hij hoefde maar iets te doen en ik was de sigaar.


Ik zat in een kwetsbare positie, en veel mannen wilden daar misbruik van maken. Op een gegeven moment zijn ze voor me aan de deur geweest, toen werd het me te heet onder de voeten en ben ik tijdelijk in Haarlem  gaan wonen en werken. Ik had geen doel voor ogen dat ik wilde bereiken, daar had ik helemaal geen tijd voor. Ik hoopte als ik ergens was dat ik daar tot rust kon komen. Maar dat kon niet. Er kon altijd iets gebeuren waardoor ik weer weg moest. Ik was altijd bang. Als ik een vreemde man zag in de buurt van mijn kamertje, durfde ik de deur niet in. Dan dacht ik dat ze me stonden op te wachten. Sinds ik ondergedoken zat in Soestdijk was ik bang geweest.


Trouwen voor de Nederlandse nationaliteit


Ik leerde in maart ‘54 bij mijn tante mijn latere man kennen. Ik was zo afstandelijk dat hij na verloop van tijd wel wat ongeduldig werd. Ik hield hem op afstand, omdat ik niet durfde te vertellen dat ik illegaal in Holland was. Toen ik dat uiteindelijk toch vertelde is hij naar de vreemdelingenpolitie gegaan en heeft daar gezegd dat hij een meisje had ontmoet waar hij mee wilde trouwen. Ik dacht: dit is eindelijk het einde. Ik moest de grens over naar mijn ouders om te vertellen dat ik in ondertrouw was, en heb een Duitse pas aangevraagd. Eerder kon dat niet, omdat ik nog illegaal was. Maar toen ik ging trouwen, kon me niks meer gebeuren. Hij ging een huis voor ons zoeken. Toen was er al woningnood. Ik bestond toen nog niet. Mijn vader moest schriftelijk bevestigen dat ik zijn dochter was. Het heeft een paar maanden geduurd voordat het bevestigd was en ik de Nederlandse nationaliteit had.


"Ik ben 22 keer zwart de grens overgegaan

om mijn ouders te bezoeken"


Ik ben 22 keer zwart de grens overgegaan om mijn ouders te bezoeken. Ik had een bepaalde route gevonden. En ik nam allerlei mensen mee over de grens. Ik was nooit echt bang dat ik ontdekt zou worden, maar wel voorzichtig. Mijn vader had terug naar Nederland gekund. Hij was 48 toen hij het land uitgezet werd en was opnieuw begonnen en hij wilde niet meer. Mijn moeder heeft nooit kunnen wennen. Mijn vader heeft wel Wiedergutmachung gehad. Hij kreeg geld van de Nederlandse staat, hoeveel dat exact was weet ik niet.


In 1956 konden we in het centrum een bakkerij pachten en daarboven wonen. Mijn schoonvader was bakker en we zouden op den duur zijn zaak overnemen. In 1959 kregen we het huis waar ik nog steeds woon, en toen kregen we de zaak van mijn schoonvader. We hebben allemaal keihard gewerkt. Ik zeg altijd: van werken ga je niet dood.

 

Ik kwam er na verloop van tijd achter dat mijn man een droge alcoholist was. Ik heb hem in een droge periode leren kennen. Het zijn meestal hele lieve mensen, tot de drang weer komt. Ik kende het niet uit mijn familie, zuipen en zo. Hij is veertien keer verpleegd geweest, in ernstige ontwenningsklinieken en psychiatrische inrichtingen. Vogelenzang en Paviljoen 3, noem maar op. Ik werkte toen ook nog op twee schoonmaakadressen. Om de dag ging ik met tram, trein en bus naar Vogelenzang. Hij is helemaal stapelgek gestorven nadat hij vijf keer heeft geprobeerd een eind aan zijn leven te maken. En toen het gelukt was zeiden mensen tegen me: moeten we je nou condoleren of feliciteren? Ik zeg, feliciteren. Toen hij stierf was ik 42 jaar, hij was tien jaar ouder.


"Ik wilde mijn Nederlandse paspoort,

en dat heb ik bereikt ook"


Ik heb daarna een tweede man gehad waarmee ik twintig jaar een geweldige relatie heb gehad. Nu werd ik in het zonnetje gezet. Ik ben blij dat ik toch naar Nederland gegaan ben. Ik ben wat dat betreft een reuze doorzetter. Ik wilde mijn Nederlandse paspoort, en dat heb ik bereikt ook. Ik spreek vloeiend Duits, en kan vertellen hoe het leven in Duitsland is. Het leven bestaat uit klappen krijgen en een pas op de plaats maken. Ik heb nu een verweer bij me, altijd. Dat hou je. Dat is me aangeleerd door de dingen die ik heb meegemaakt. Ik ben voorzichtig, laat ik dat liever zeggen. Flik me nooit iets, want je krijgt het terug. Ik ben altijd zo geweest. Het was zeker geen rustig leven. Het rustigste leven heb ik nu, al ben ik wel alleen. Maar ik sta mijn mannetje als het moet. 

***



Mail ons: info@toenik21was.nl

Copyright @ Alle beelden en teksten zijn, tenzij anders vermeld, het eigendom van Kim Koops en Esther Ladiges en mogen niet zonder hun toestemming gebruikt worden.